Merkels Europa van boetes en straf

De aanpak van Merkel leidt tot de ondergang van de EU, tot een unie die slechts bijeen wordt gehouden door straffen en boetes.

Beter is de zuidelijke landen een eigen munt te bieden, die eventueel kan devalueren, betoogt Paul Hockenos.

karikatur für- angela merkel

Nog niet zo lang geleden zat Frankrijk aan het politieke stuur en was Duitsland de economische motor van de Europese Unie. Nu is het, zoals oud-voorzitter Romani Prodi van de Europese Commissie in februari opmerkte, „Merkel die beslist en Sarkozy die een persconferentie houdt om haar beslissingen uit te leggen”. Dit pikante beeld kan nog worden aangezet met de 24 EU-lidstaten die ineengedoken in de perskamer zitten – en Groot-Brittannië dat inmiddels door het raam naar binnen kijkt.

Nu Groot-Brittannië zich buitenspel heeft gezet bij het historische akkoord van 9 december dat de EU nieuwe bevoegdheden geeft om een strengere discipline aan de nationale begrotingen op te leggen, lijkt de gemeenschap innerlijk nog meer verscheurd. Het treurige was dat de Britten niet wegliepen om de gebrekkige democratische procedure of om het feit dat dit akkoord geen adequaat antwoord op het moeras van de euro geeft, maar om de financiële dienstverleningsbranche in Londen te beschermen tegen de regelgeving die onderdeel was van het akkoord.

Op deze manier behoort de Europese Unie niet te werken, integendeel, en de Duitse onewomanshow – ogenschijnlijk in naam van Europa – zou wel eens de ondergang van het mooie Europese project kunnen worden. Merkel mag nu nog de grote winnaar lijken, met Europa op het oog aan Duitslands voeten, maar deze gang van zaken zou Duitsland weleens meer kunnen opbreken dan enig ander land.

„Het vooruitzicht is een vreugdeloze unie van boetes, straffen, tuchtmaatregelen en ziedende wrok, waarbij de centristische elites die de EU besturen overal in Europa steeds meer onder vuur komen te liggen van rechtse en linkse anti-EU-populisten”, schreef Ian Traynor in The Guardian.

Merkels reactie om de eurocrisis te stuiten, is de germanisering van het Europese monetaire en fiscale beleid en vooral de verankering van de obsessie met een strak geldbeleid, fiscale zuiverheid en budgettaire rechtzinnigheid. Kortzichtig, want daarmee wordt Duitsland onbeschaamd voorop gesteld. Ondanks alle bewijzen van het tegendeel houdt Merkel vol dat wat goed is voor Duitsland, goed is voor iedereen. Dat is duidelijk niet zo. En terwijl de wereldleiders haar smeken te doen ‘wat nodig is’ om een mondiaal onheil af te wenden, doet zij dit samen met Sarkozy over de hoofden van de inmiddels geheel irrelevante Europese ‘kiezers’ heen (‘onderdanen’ is meer op zijn plaats). Dat is een rampzalige vergissing, die het sterk gecentraliseerde gezag van de EU politiek verregaand oprekt en het ook nog berooft van zijn vijgenblad van democratische legitimiteit. Bovendien vergroot de economie van de Berlijnse germanocentrische recepten voor de eurozone juist die problemen waardoor de zwakkere economieën van Europa in hun huidige ellende zijn beland.

Merkel matigt zich een zeer hoge toon aan als ze uitvaart tegen de geplaagde PIGS-landen aan de Europese buitenrand. Maar haar zelfingenomen fixatie op hun verkwistende gewoonten (die zonder meer rampzalig waren – stel je voor dat die uitgaven naar exporterende fabrieken of onderzoek en ontwikkeling waren gegaan in plaats van naar appartementen of ambtenarensalarissen) en nieuwe reeksen sancties en regels om hun vermeende genetische spilzucht te beteugelen, bieden op den duur geen oplossing. Er is in heel Europa geen econoom die echt gelooft dat grimmige bezuinigingsmaatregelen de Grieken, de Ieren of wie dan ook in staat zullen stellen hun schulden af te betalen.

We moeten hier een paar dingen bedenken. Ten eerste komt het mede door het monetaire eenheidsbeleid – bijna identiek aan het naoorlogse beleid van de Bundesbank – dat de PIGS-landen nu zo weinig concurrerend zijn en zulke verbijsterende schulden hebben opgebouwd. Ook heeft de Duitse economie door dit beleid zo’n lucratieve voorsprong binnen de EU en op de internationale markten. De euro was dan wel veel harder dan de vroegere drachme en lire (waardoor de zwakke exportindustrieën van de Club Med in het slop raakten), maar hij was wel wat zachter dan de Duitse mark, zodat Duitsland tijdens de tien magere jaren van de euro zijn export naar de PIGS kon verviervoudigen en die naar China met factor tien kon verhogen. Zoals Johan van Overtveldt, hoofdredacteur van het toonaangevende Belgische weekblad Knack, in zijn nieuwe boek Het einde van de euro stelt: „Voor de euro moest het Duitse bedrijfsleven investeren, zijn productiviteit opvoeren en voortdurend innoveren om te concurreren met bedrijven in landen die geregeld hun munt devalueerden.” Door de eenheidsmunt veranderde dit, tot grote tevredenheid van de machtige Duitse industrielobby, die juist daarom nog altijd van de euro houdt.

Het hooghartige Duitse gemopper over de schuld van de arme perifere landen is ook om nog een andere reden schijnheilig. Heel Europa heeft een hoge schuldenlast en ook al is de trans-Atlantische crisis aan Europese kant begonnen aan de oevers van de Middellandse Zee, het is nu een pan-Europese crisis – en die geldt ook Duitsland, een van de eerste landen die het schuldplafond van Maastricht doorbraken. Volgens cijfers van het IMF zal de bruto Duitse staatsschuld in 2012 bijna 83 procent van het bruto binnenlands product bedragen.

De Duitsers gaan in deze kwestie niet vrijuit. Zoals de Portugese Europarlementariër Ana Gomes de Duitsers onlangs voorhield: „Onze overheden, banken, bedrijven en burgers werden aangemoedigd om zich gevaarlijk in de schulden te steken – door uw banken, bedrijven, uw officiële vertegenwoordigers, en door allen die de euro uiterst betaalbaar maakten, tegen een lage rente, en die ons opriepen tot de aanschaf van onderzeeërs, auto’s, apparatuur en allerlei technologie die we waarschijnlijk niet nodig hadden. En om dit allemaal in Duitsland te kopen, natuurlijk.” Ze eindigde met een beleefde maar vernietigende kaakslag: „Beste Duitse vrienden, uw begrotingsoverschotten zijn eigenlijk het spiegelbeeld van onze tekorten.”

Dus in plaats van te proberen het Europese monetaire beleid zo aan te passen dat het iets beter werkt voor de landen met een van oudsher zwakkere munt, verheffen de Duitsers het beste beleid voor hun eigen economie tot ijzeren wet. Dat werkte voor hen, dus waarom zou het dan niet voor iedereen werken? Alsof een economie die berust op toerisme, landbouw en visserij een schijn van kans maakt onder dezelfde regels waaronder de vierde industriële economie bloeit. Zoals George Soros opmerkte: „Duitsland kan niet worden verweten dat het een sterke munt en een sluitende begroting wil. Maar wel dat het zijn voorkeur oplegt aan andere landen, met andere behoeften.”

Een achterlijke Duitse politicus schepte in november zelfs openlijk op dat ‘nu heel Europa Duits spreekt!’, een opmerking die bij de Engelse roddelbladen tot begrijpelijke hysterie leidde. Dit soort Duitse blunders heeft het eurosceptische vuur in Groot-Brittannië opgestookt en ligt ten grondslag aan de koppigheid van Cameron inzake financiële regelgeving. (Ter verdediging van Duitsland: Merkels standpunten ademen niet het soort agressief nationalisme dat volgens de Britse tabloids naar de Münchener Bierhalle riekt, maar eerder een kortzichtig politiek eigenbelang waarvan de horizon niet verder reikt dan de volgende regionale verkiezingen.) Maar goed, de Britten hebben alles nu aan de Duitsers en de Fransen overgelaten en zich als mogelijk tegenwicht tegen de Duits-Franse overmoed teruggetrokken. Cameron had zich principieel kunnen opstellen, maar maakte uiteindelijk de kleingeestigste indruk van allemaal.

Heeft Merkel een strategie voor ogen om die landen weer op de been te helpen? Eenvoudig gezegd: nee, en ook de meeste Duitsers malen daar niet om, zozeer zijn ze ervan overtuigd dat die luie Grieken hun afschuwelijke lot verdienen. (Ook daar is Merkel verantwoordelijk voor.) Over heel Europa wordt Keynesiaanse deficit spending (openbare werken gefinancierd met leningen) niet alleen afgekeurd, maar inmiddels ook verboden en aan sancties onderworpen. Niemand heeft het over investeringen in de schuldenlanden om weer groei en werkgelegenheid te stimuleren. Niemand wil in het Noorden de lonen verhogen of andere maatregelen nemen die het handelsoverschot zouden verminderen en het Zuiden misschien weer een kans zouden geven. Bloomberg-commentator Matthew Lynn verwoordt het fraai in zijn boek Bust: Greece, The Euro, and the Sovereign Debt Crisis: „Wie tegen de Duitsers zegt dat ze hun concurrentiekracht moeten verzwakken om de eurozone te helpen, kan net zo goed van Brazilië verlangen dat het met negen man de finale van het WK-voetbal gaat spelen.”

De landen met een hoog tekort worden bedolven onder schuld, krijgen bezuinigingen opgedrongen die een recessie aanwakkeren en worden een weg van wurgende deflatie op gedreven. Het zal hun tientallen jaren kosten om zich hier weer uit te raken. Hoe kunnen hun eigen binnenlandse bedrijvigheid of uitvoer zich nu ooit herstellen als ze in deze val klem zitten? Zonder het instrument van een nationaal monetair beleid waarmee ze hun munt zouden devalueren, is hun enige mogelijkheid om telkens weer in de lonen te hakken totdat Griekenland concurrerend is met Duitsland (en de bevolking volledig verarmd is en opstandig de straat op gaat). Onder de huidige omstandigheden zal hun economische krimp de prijzen en lonen doen kelderen en werkloosheid omhoog doen schieten. Daardoor zal de schuldenproblematiek alleen nog maar verergeren en zal er nog minder geld zijn om het tekort in te lopen.

Als het dus ondenkbaar is dat de nieuwe kroonprins van Europa ook maar een duimbreed afwijkt van het beleid dat voor hem en zijn noordelijke buren het beste is, wat dan te doen? Een niet zo heel gek idee is om twee muntzones te maken – een noordelijke en een zuidelijke – met de euro voor de welgestelden boven de Brennerpas en de ‘medi’ voor het westelijke Middellandse Zeegebied, Midden-Europa en misschien ook Ierland. Dit zou als duidelijk pluspunt hebben dat de vele onmiskenbare voordelen van een monetaire unie behouden blijven, maar dat de deelnemers tegelijkertijd een monetair beleid kunnen voeren en dit beter op hun economie kunnen afstemmen. Net als in de Europese voetbalcompetities zouden de zwakke broeders in de hoogste divisie kunnen degraderen, terwijl de sterke daaronder kunnen promoveren.

Nog een stap verder is het idee van de ‘parallelle munten’, oftewel het gelijktijdige bestaan van de euro en het hele gamma van nationale munten. Beide zouden wettig betaalmiddel zijn, waarbij de euro – in elk geval aanvankelijk – vooral zou worden gebruikt als munt voor internationale bedrijven, de kapitaalmarkt en toeristen. Uiteindelijk zouden de landen met eenzelfde economie en beleid de euro desgewenst als nationale munt kunnen invoeren. Maar zoals Lynn onderstreept „zou dit langs natuurlijke weg gebeuren als de markt er klaar voor was, en niet aan economieën worden opgedrongen die het niet aankonden”.

Het dominante ‘leiderschap’ van Merkel zou weleens noodlottiger voor Europa kunnen blijken dan de economische gevolgen van de monetaire crisis zelf. Zoals Blair tijdens de jaren van Bush, hoopt Sarkozy dat Frankrijk naast een machtig Duitsland meer te vertellen heeft dan waneer het zich daarvan vervreemdt. Maar Parijs weet dat de tijd van de Frans-Duitse tandem uit de naoorlogse decennia voorbij is – en dat het nu de poedel is. Het hele idee van de euro was allereerst een Franse truc om te voorkomen dat Duitsland Europa zou gaan domineren. De uitwerking is spectaculair averechts.

De Duitse agenda heeft van de Europese Unie al iets heel anders gemaakt dan de supranationale confederatie die de oprichters voor ogen hadden – en op deze manier kan ze nooit werken, ook al heeft de ernst van de crisis de rest van de club gedwongen om zich bij gebrek aan betere mogelijkheden te schikken. Naoorlogse Duitse eurofielen als Helmut Kohl zagen de EU als een snelle manier om de naam van Duitsland te zuiveren van het stigma van Auschwitz en Pruisen, in de veronderstelling dat dit materieel in zijn voordeel zou werken. En dat is uitgekomen.

Maar een ‘Duits Europa’ (in plaats van een Europees Duitsland) dreigt deze uitzonderlijk slimme en lucratieve strategie weer ongedaan te maken en een anti-Europese reactie uit te lokken waarbij geen enkele EU-lidstaat belang zou hebben.

Angela Merkel kan de eurozone geen pro-Duits economisch beleid opleggen, hoe pijnlijk de huidige worsteling ook mag zijn. Het is arrogant en autoritair om zonder volksraadpleging de nationale parlementen in Europa van hun beslissingsbevoegdheid te beroven. Dit zal een terugslag geven die misschien wel de ondergang wordt van het beste idee dat de Europeanen ooit ten uitvoer hebben gebracht. In elk geval heeft Henry Kissinger nu dat ene telefoonnummer van Europa dat hij al zo lang wilde: 0049-30-40002526 – het kantoor van bondskanselier Merkel.

Paul Hockenos is een Amerikaans schrijver en publicist. Zijn huidige standplaats is Berlijn.