Charles Burns: ‘Ik was zo’n kind dat achter de bank wegkroop’

Tekenaar Charles Burns verkende met de graphic novel Black Hole de tienerwereld op een ongekende, fantastische manier. In Museum M in Leuven is te zien hoe Burns werkt en wat zijn inspiratiebronnen zijn. ‘Dat ik mensen een huidziekte laat krijgen, komt voort uit mijn punkhouding.’

Dit is mijn High School Senior jaarboek”, zegt tekenaar Charles Burns, „en dat is mijn klasgenoot Jay Keating.”

Het jaarboek ligt op een tafel in Museum M in Leuven. Burns wijst naar het fotootje van een jongen met lang haar. En dan naar de muur van het museum waar zijn tekenwerk wordt tentoongesteld. „Dat is Jay Keating ook, als personage in Black Hole.” Burns’ klasgenoot hangt in een blok met zwart-witportretten van jongeren uit zijn graphic novel Black Hole. Van ieder zijn er twee portretten: bijna identiek, maar één met ongeschonden en één met geschonden gezicht – aangetast door knobbels en bulten, een gebitsvergroeiing of vleestakjes die uit het voorhoofd komen. Onheilspellend is dat ze hun glimlach hebben behouden, terwijl van hun ‘All American’-schoonheid slechts een vage indruk resteert.

Black Hole werd in 2005 juichend binnengehaald en geldt als een van de belangrijkste graphic novels van deze eeuw. Het boek won talloze prijzen en werd bovendien omarmd door een breed publiek. Het Leuvense Museum M eert Burns (1955) met een overzichtstentoonstelling die drie decennia werk laat zien: boeken, losse verhalen, illustraties voor Rolling Stone en de The New Yorker, schetsen en reclamewerk.

Burns vulde een wand met een zelfportret in honderd beelden en een andere wand met honderd strips die hem inspireerden. Daar hangt Modern Art van Joost Swarte tussen („Een genie”, noemt Burns hem), Dick Tracy, afleveringen van Teen Confessions (een serie romantische strips), Prince Valiant van Hal Forster en werk van Robert Crumb, Will Eisner, de Belg Ever Meulen en Saul Steinberg. Een selectie van Burns’ tekeningen ligt op lange tafels; van schoolwerk en zijn eerste verhaal, een fotoroman, tot bijdragen aan punkfanzines en RAW (het stripblad van Art Spiegelman). Aan de schetsen voor Black Hole is te zien hoe Burns figuren uitknipt en ze over de pagina schuift om de goede ‘camerapositie’ te vinden.

Het veelomvattende Black Hole (in Nederland uitgegeven als Zwart gat) is een liefdesverhaal én horrorstory over jongeren uit een stadje bij Seattle, die elkaar besmetten met een seksueel overdraagbare aandoening. De getroffenen muteren op groteske wijze: ze ontwikkelen een staart, een extra mond in hun hals, krijgen een poezengezicht of raken overwoekerd door bulten. Door hun medescholieren worden ze verstoten. Sommigen besluiten in tenten in de omringende bossen te gaan leven.

De seksueel overdraagbare plaag die Burns in de jaren tachtig bedacht, doet denken aan aids, maar die interpretatie verwerpt hij. „Ik verzon de ziekte als een metafoor voor adolescentie”, zegt hij. „Wat ik wilde, was een persoonlijk boek maken, over wat mij en mijn vrienden toen bezig hield. Ik dacht na over de transformatie van kind naar seksueel actief wezen en de veranderingen van je lichaam. Mijn idee is dat deze plaag de innerlijke chaos verbeeldt waar een jong mens mee kampt. Die manifesteert zich op deze meedogenloze wijze. Wat tieners normaal gesproken binnen houden, wordt uiterlijk zichtbaar.”

Wat Black Hole onder meer blootlegt, is het wrede proces van groepsvorming. Zolang de aantastingen van de huid onder kleding verborgen blijven, zijn de tieners sociaal veilig. Wat niet zichtbaar is, bestaat niet. Uiterlijk en identiteit lopen in elkaar over. „Daar stel ik vragen over”, zegt Burns. „Ik heb geen antwoorden, maar je kunt overal zien dat het zo werkt.”

Hoop en verlangen houdt de getroffen jongeren op de been. Burns: „Die gevoelens wilde ik van verschillende kanten bekijken. Toen ik zo jong was, wilde ik mezelf graag opnieuw uitvinden. Ik wilde na de zomer terugkomen op school en niet meer die nerd zijn, maar sterker en knapper. Alsof ik mezelf een nieuwe huid wilde geven. Dat is ook letterlijk wat een meisje in Black Hole doet: ze scheurt haar oude huid af.”

Niet dat het zo verschrikkelijk is om een tiener te zijn, zegt Burns. „Maar het is wel een enorm intense periode. Alles verandert. Je vraagt je af waar je hoort in de wereld, wat voor persoon je zal worden, waar je terecht komt. Nu heb ik een vrouw en twee volwassen dochters. Ik heb gedaan wat er van me wordt verwacht. Rampen kunnen me nog altijd treffen, maar ik heb een zeker succes in wat ik doe. Dat weet je allemaal niet als je zeventien bent. Ik ging naar de kunstacademie met het idee kunstenaar te worden, zonder te weten wat dat was. Die onzekerheid kwelt je.”

Burns’ meesterschap ligt in zijn gebruik van een bijna gloeiend zwart, dat door zijn harde contouren en diepe schaduwen een intens contrast oplevert. Op de expositie onthult hij een inspiratiebron voor zijn van inkt doordrenkte pagina’s: de vroege zwart-witfilms van de Zweedse regisseur Ingmar Bergman : „Vanwege zijn manier van belichten.”

Licht is spaarzaam in de Bergman-stills die Burns aan de muur hing als deel van het zelfportret in honderd plaatjes. De tekenaar koos verder onder meer Japanse monsterpoppen (vintage speelgoed uit de jaren zeventig, dat hij verzamelt) en foto’s van huiduitslag. „Ik ben altijd zeer geïnteresseerd geweest in ziektes”, is zijn droge commentaar. Monsterfilms en -strips waren als kind al een hartstocht. „Ja, ik was zo’n kind dat achter de bank wegkroop, maar toch wilde kijken.”

In 1993 was Burns al beroemd genoeg om door Coca Cola te worden gevraagd voor de verpakking van een nieuw drankje. Voor Ok (dat nooit de schappen haalde) leverde Burns een tekening van een stevig jongensgezicht, met ronde kin en kraaloogjes. Die heldere, romantische stijl past bij hem, maar voelt als een knieval voor de commercie. Op de tentoonstelling ligt ook een reclameplaat voor de aanstekers van Zippo, van een vrouw met een groot kruis op haar voorhoofd. De tekening werd afgekeurd. „Ik denk dat het kruis het hem deed”, zegt Burns laconiek.

Het kruis maakt er een kenmerkende Burns van: de combinatie van de gladde stijl van klassieke romantische strips en Pop Art, geplaatst in een horrorsetting. Burns toont de geschonden mens, in aangevreten schoonheid.

„De oude, Amerikaanse romantische strips lees ik met oprechte liefde. Voor mij is het geen pulp. Dat ik in die stijl teken, maar die mensen een huidziekte laat krijgen, komt voort uit mijn punkhouding. Die is altijd een deel van mij gebleven.”

Op zijn 56ste oogt Burns als een bedaagde, kalende accountant, maar in de jaren zeventig had hij enige tijd zijn eigen punkband. Zijn trots dat hij een hoes tekende voor een album van Iggy Pop (Brick by brick, uit 1990) kan hij nauwelijks onderdrukken. „Ik ging de tekening brengen in zijn appartement. Hij moest er om lachen. Dat is, denk ik, wel een goede reactie.”

Over zijn tijd als met punkidealen bezeten jonge kunstenaar gaat het nieuwe werk van Burns. Vorig jaar verscheen X, het eerste deel van wat een trilogie moet worden. Hoofdpersoon Doug is een miskende punkdichter, die probeert af te kicken van pijnstillers en lugubere nachtmerries heeft.

Opnieuw speelt de spleen van de jeugd een grote rol. Liggend op bed denkt de hoofdpersoon: „Dit blijft altijd voortduren. Ik vind nooit een uitweg.”

X is rijk aan verwijzingen naar Kuifje. Burns las Kuifje als kind. „Hergé schiep een complete wereld waar ik zo in stapte. Ik hield van zijn heldere verteltrant en de exotische locaties.”

De mysterieuze eieren in X kregen hetzelfde rood-witte patroon als de paddestoel op de omslag De geheimzinnig ster. Dat album van Kuifje was het eerste dat in kleur verscheen, en met X maakt ook Burns voor het eerst een boek in kleur. „Ik wilde iets nieuws doen, en kleur gebruiken als verhalend element. Maar het heeft ook wel met Kuifje te maken. Aanvankelijk tekende Hergé zijn strips ook in zwart-wit, maar ik las ze in kleur. Die albums hadden een kleurenpracht die geen Amerikaanse strip bezat. Zo zeg ik dank je wel.”

Charles Burns. T/m 11 maart 2012, Museum M, Leuven. Info: www.mleuven.be