Ik was bang voor de dood, hij niet

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over de laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Vrouwen praten makkelijker over emoties dan mannen. In de Turkse gemeenschap speelt dat nog veel sterker dan bij Nederlanders. Met mijn man heb ik nooit over zijn naderende dood kunnen praten. Hij accepteerde niet dat hij ging sterven. Hij was ervan overtuigd dat hij zou genezen. Hij geloofde in een wonder. Toen de dokter eenmaal had gezegd dat hij niets meer voor hem kon doen, is hij binnen drie dagen overleden.

„Mijn man is in Nederland altijd ongelukkig geweest. Ik ben hier vanaf mijn zevende jaar opgegroeid. Hij kwam pas op zijn 32ste, direct na onze trouwdag in 1988. Hij ging werken in een behangfabriek. Hij was een slimme man, werkte in Turkije als statisticus bij de spoorwegen. Hij is opgegroeid in Adana, een zuidelijke stad met een warm klimaat, waar het leven zich op straat afspeelde. Hij kon er niet aan wennen dat iedereen na het werk naar huis rende en de voordeur achter zich dichttrok. Hij vond Nederland een koud land. Hij raakte aan de drank, vereenzaamde.

„Eindeloos heeft hij gesmeekt: ga met mee, terug naar Turkije. Ik wilde niet. Ik ben hier opgegroeid, ik werkte fulltime, mijn directe familie woont hier. Ik was niet in staat al die banden door te snijden. Mijn man werd daardoor min of meer een gevangene van zichzelf. Hij wilde niet in Nederland leven, maar hij kon ook niet alleen terugkeren naar zijn familie in Adana, want zijn familie zou een echtscheiding niet accepteren.

„Omstreeks 2000 zijn we gescheiden. Hij ging twee straten verderop wonen. Al die tijd voelde ik: hij komt wel bij me terug, we konden elkaar niet loslaten. Na de zomer van 2004 is hij inderdaad weer hier komen wonen. Voorzichtig maakten we plannen voor de toekomst. Over een paar jaar, zeiden we, staan de jongens op eigen benen en kunnen we een deel van het jaar in Turkije gaan wonen.

„Een half jaar later bleek dat hij longkanker had. Hij reageerde optimistisch. Hij zei: ik ga naar het dorp waar mijn opa en oma woonden, hoog in de bergen – alsof hij voor astma kon gaan kuren in de ijle lucht. Dat dacht hij: als ik maar eenmaal in Turkije ben, word ik weer beter. In zijn hoofd was het uitgegroeid tot een paradijs. Maar hij was al te ziek om terug te gaan.

„Ik ben vreselijk bang geweest in de maanden dat hij ziek was. Ik was bang voor zijn dood, hij niet. Hij ontkende volledig dat hij op korte termijn zou sterven. Het huis stroomde vol met mensen die op ziekenbezoek kwamen, dag in, dag uit. Dan vertelde hij wel over zijn chemokuren en behandelingen, maar hij weigerde onder ogen te zien dat die hem wel eens niet zouden kunnen redden. En niemand confronteerde hem daarmee. Daarvoor gaf hij ook de ruimte niet. Niemand, ook mij niet, stond hij toe daarover te praten.

„Na zijn dood ben ik in een diepe depressie geraakt. Ik kwam mijn bed zo ongeveer niet meer uit. Mijn familie heeft de jongens opgevangen. Via een psycholoog ben ik in 2007 bij een gespreksgroep voor rouwverwerking terechtgekomen. Na vier bijeenkomsten zei ik: ik wil mijn toestand omzetten in een win-winsituatie, ik wil alles leren over omgaan met de dood en het rouwproces erna en ik wil die kennis uitdragen. Dat werkt therapeutisch voor mezelf en ik kan er andere mensen mee helpen.

„Achteraf zeg ik: ik had heel anders moeten omgaan met de ziekte en de dood van mijn man. Hem kon ik niet veranderen. Ik moest accepteren dat hij niet over de dood kon praten. Maar voor mezelf en mijn zonen had ik hulp kunnen inroepen, waarvan ik toen niet wist dat die bestond. Mentale hulp, zodat we beter op zijn dood voorbereid waren geweest. En praktische hulp. Hij wilde meteen weg uit het ziekenhuis toen de dokter zei dat hij uitbehandeld was. Ik zei: ik kan het niet aan dat hij thuiskomt. Ik had nog nooit een dode gezien, had nooit echt met iemand over de dood kunnen praten. Wat moest ik doen als hij ’s nachts zou overlijden? Ik zou in paniek zijn geraakt.

„Nu weet ik dat je nachtverpleging kunt krijgen, dat je vrijwilligers kunt vragen te waken bij iemand die terminaal ziek is. Voortdurend kom ik nu mensen tegen, uit alle culturen, voor wie de dood een groot zwart gat is. Ik heb ondervonden dat je jezelf daarin niet moet opsluiten. Praat erover, schakel hulp in. Mij houdt het op de been dat ik die boodschap kan uitdragen.”

Tekst & foto’s Gijsbert van Es

Wie wil meewerken aan deze rubriek kan een e-mail sturen naar laatstewoord@nrc.nl.Twitter: #hetlaatstewoord