'Ik ben een oom die even langskomt'

Cabaretier Youp van ’t Hek praat bij een maaltijdsalade over zichzelf in understatements. ‘Ik ben een kunstenaar met een kleine k.’

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, Lux, Amsterdam, 06/12/11, Youp van 't Hek

Geen kip. En ook geen varkensvlees. Youp van ’t Hek (57) is geen vegetariër, maar als hij zo’n batterijkip ziet, of een varken in zo’n martelstal, krijgt hij niet speciaal zin om die op te eten. De kokkin van de Amsterdamse kookwinkel Frenzi Cucina, die ook de bestellingen opneemt, had gezegd dat hij maar moest wuiven of fluiten om haar aandacht te trekken. Een poging om de bekendste cabaretier van Nederland te laten weten dat hij hier gerust even uit het harnas van zijn bekendheid mag breken.

Hij wuift, fluit en bestelt een dagsalade. Met kaas.

Youp van ’t Hek woont hier om de hoek, sinds kort. Hij woonde 22 jaar op de Prinsengracht, maar dat werd te groot nu de kinderen (30, 23, 21) het huis uit zijn. Zijn verschijning – klein van stuk (1 meter 73) met het ronde brilletje – doet vertrouwd aan. Later zal hij woorden geven aan dat gevoel van vertrouwdheid. „Ik ben een familielid dat even langskomt.” Dat doet hij al sinds 1973. Eerst met het door hem opgerichte groepje Cabaret Nar, waarin ook Debby Petter zat, toen zijn vriendin, nu zijn vrouw. Hij was 18, zij 16. „Ik had haar een keer een liedje horen zingen op een schoolavond en vroeg haar erbij.” Toen de liefde uit ging, ging ze uit het groepje. Negen jaar later kwamen ze elkaar weer tegen. Zij was in de tussentijd getrouwd, moeder geworden en gescheiden. Samen kregen ze twee kinderen.

Niet om arrogant te doen, zegt hij, maar sinds 1983 zijn z’n shows altijd uitverkocht. Zijn oudejaarsshows zelfs twee keer op een avond. „Om half tien 750 man eruit, om tien uur 800 man erin.” Zijn column op de Achterpagina is het best gelezen stukje van NRC, zijn boeken (Wie verstaat er Kips? is net verschenen) zijn bestsellers. Voor de zesde keer komt hij op Oudejaarsavond langs, op de televisie. „Ik ben de oom die het jaar aan elkaar komt lullen.” ‘De tweede viool’ heet zijn oudejaarsconference. Hij heeft liever niet dat er nu al in de krant staat waar de conference over gaat. Twee woorden dan: hotelkamer. En: kamermeisje.

Youp van ’t Hek is geen lolbroek. Niet iemand die geen zin kan zeggen zonder een grap of een grol. Vaak wordt gezegd dat hij de leukste van de kroeg wil zijn. Zeg iets grappigs en hij grapt er overheen. Maar we drinken nu geen bier, maar zwarte koffie.

Hij leunt achterover of juist half over tafel, kroelt als hij nadenkt door het witgrijze borsthaar dat boven zijn blouse uitsteekt. Hij lijkt ontspannener te doen dan hij is en praat over zichzelf in understatements. Alsof hij wil voorkomen dat zijn succes een ander in de weg zit. Noemt zichzelf terloops een grappenmaker, of ‘een kunstenaar met een kleine k’. Zegt dat hij eigenlijk niet zo’n bijzonder extreem leven leidt. „Toch wel een familieman. Elke week naar Ajax met mijn zoon, zo ongeveer sinds zijn geboorte.” Soms vraagt hij me iets niet op te schrijven, omdat hij weet dat elk woord over zijn privéleven leidt tot smeuïge verhalen in roddelbladen.

Emmy Verhey

De komende weken speelt hij zijn oudejaarsvoorstelling al in de theaters. Hij wordt begeleid door zijn vaste orkestleden en door violiste Emmy Verhey. Haar kent hij al heel lang. „Maar we hebben allebei geen idee meer waarvan.” Samen maakten ze een aantal muzikale voorstellingen met en voor kinderen. Hij scheef drie kinderverhalen op muziek, variaties op ‘Peter en de wolf’. Peter en de gelukkige olifant, Peter en de kapotte viool en Peter en de gekke koe. Emmy Verhey en accordeonist Carel Kraayenhof hebben eerder eens een voorstelling van hem begeleid in Carré. Dat was voor de lol. „Een jaar mee op tournee kan niet. Emmy is veel te goed om avond aan avond een grappenmaker te begeleiden.” Maar zo’n oudejaarsconference kost maar 13 avonden (26 voorstellingen). De laatste voorstelling, op 30 december, wordt opgenomen voor de televisie-uitzending. In het theater in Groningen, zoals bijna altijd. Daar kent Youp van ’t Hek de mensen, de technici, het publiek.

Debby Petter, zijn vrouw, is nu ook op tournee. Zij speelt de solovoorstelling Ik ben er nog, de theaterbewerking die Thomas Verbogt maakte van haar boek met dezelfde titel over het verzwegen verleden van haar moeder Hélène Eggers. Haar moeder zat als jong, joods meisje in de oorlog ondergedoken, terwijl haar vader en twee broertjes omkwamen in het concentratiekamp (haar moeder was al eerder overleden). Na de oorlog hertrouwde Debby Petters moeder, ze kreeg drie kinderen en sprak nooit meer over wat ze had meegemaakt. Youp van ’t Hek: „Ik kwam op mijn zeventiende al thuis bij Debby’s familie. Iedereen wist wel dát er iets met haar moeder was, maar er werd niet over gesproken.” Dochter Debby had, toen ze 12 was, het poëziealbum van haar moeder gevonden en was vragen gaan stellen. Het hele verhaal vertelde haar moeder pas in 1997, toen de Amerikaanse filmregisseur Steven Spielberg de persoonlijke verhalen van Holocaustslachtoffers op film vast liet leggen.

Hij heeft wat ervaring met voorstellingen, zegt Youp van ’t Hek. Hij kan beoordelen of iets goed is of niet. En de voorstelling van zijn vrouw is prachtig. „Ze las het script voor aan de keukentafel. Misschien dat ik twee woordjes anders zou hebben gedaan.” Haar voorstelling is sober, met drie tafeltjes op het podium met fotolijstjes erop. Ze speelt afwisselend haar moeder, de dochter, en haar moeder als meisje. „Mensen zeggen na afloop niet alleen dat ze het zo mooi vonden, maar dat ze terugkomen. Met hun kinderen.”

Kleinzoon Samuel

Wuiven, fluiten. Nog een koffie, graag. „Jij nog een sapje? Is goed voor je.” Hij laat een foto op zijn telefoon zien. Van zijn kleinzoon Samuel, toen anderhalf, op de rug gezien, die vanaf het podium een lege zaal inkijkt. Hij weet nog precies de dag waarop zijn zalen uitverkocht raakten. „Dat was de ochtend na een uitzending van de ‘Alles is anders show’ van Aad van den Heuvel in 1983. Te gast waren Gerard Reve en Boudewijn Büch, die iets met elkaar uit te vechten hadden. Ik was het stukje amusement in het programma.” Hij zong ‘Lenen, lenen, lenen. Betalen, betalen, betalen.’ „Het wordt nu in het Grieks vertaald.” Hij begeleidde zichzelf met zijn voet. „Er waren twee netten, er keken zes miljoen mensen.” De volgende ochtend tien uur was mijn tournee uitverkocht. En dat is sindsdien altijd zo gebleven.” Maar de rijen voor de kassa zijn niet meer zo lang als in 1989. Toen had hij net op het podium het alcoholvrije biertje Buckler ‘gereformeerd bier’ genoemd en de drinkers ervan ‘Bucklerlul’.

„Ik ben een circus”, zegt hij. Een heel goed lopend circus. Hij kan het zich permitteren zich niet met bijzaken bezig te houden. Niet met de planning van zijn tournees, niet met signeersessies van zijn boeken, en ook niet met het geld dat hij ermee verdient. „Als ik een vakantiehuis in België zoek, kijk ik zelf nog net een folder in, maar de afwikkeling regelt mijn kantoor.” Zijn huidige manager, Hans Floberg, was ooit zijn chauffeur. „Hij was rechtenstudent en als bijbaantje reed hij me. Ter hoogte van Emmeloord heb ik hem gevraagd mijn totaalmanagement te doen.”

Youp van ’t Hek is trouw. In zijn professionele bestaan althans. Voor zijn huwelijkse trouw, raadpleeg de bladen. De mensen met wie hij al 20, 25, soms 30 jaar werkt, zijn vrienden van hem geworden. Hij deelt met hen een „mentaliteit” en „onbedaarlijk wederzijds respect”. „Ik zit al 300 jaar bij uitgeverij Thomas Rap, al tweehonderd bij de Vara, bij NRC.” Hij doet voor hoe hij soms gepolst wordt. „Ze zeggen nooit: ‘Kom bij ons.’ Ze zeggen altijd: ‘Je zit daar goed hè?’” Hij zou nooit in zee gaan met wat hij „de Telegraaf-achtigen” noemt. Een van de verklaringen voor zijn succes, denkt hij, is dat hij altijd zo terughoudend is omgegaan met zijn bekendheid. Hij heeft zichzelf niet uitverkocht. „Geleerd van mijn eerste manager. Die luisterde geduldig als het zoveelste televisieprogramma belde met de vraag of ik met een condoom op mijn hoofd uit een doos wou springen, of blauw geverfd met een IQ-test wilde meedoen. Hij liet ze uitpraten, was even stil en vroeg dan: ‘En wat heeft Youp hieraan?’”

Nog steeds stromen er tientallen verzoeken en uitnodigingen per week binnen. Hij krijgt ze allemaal te zien. „Ik heb zoveel nee gezegd.” Populair verzoek nu is of hij iets komt zeggen over Ajax. Hij staat, net als zijn vier jaar jongere broer en voormalig hockeycoach Tom van ’t Hek bekend als sportliefhebber. „Ik kan zo in het kakelcircuit. Met Jan Mulder en Peter R. de Vries en dan om de twee seconden vertellen hoe vaak je Johan spreekt.” Heel soms zegt hij ja. Zoals nu.

Nog een koffie. Zwart. Hij prikt met zijn vork in de sla, maar eet nauwelijks. Straks, bij het weggaan, zal hij – ongevraagd – tegen de kokkin zeggen dat hij het heerlijk vond, maar vandaag niet zo’n honger had. Vorig jaar is hij tien kilo afgevallen, omdat hij vond dat hij steeds meer begon te lijken op de mannen die hij in zijn columns en conferences becommentarieert. En met twee voorstellingen op een avond moet hij fit zijn. Drie keer per week naar de sportschool, minder drinken, gezond eten. Hij speelt inmiddels voor de kinderen van het publiek uit zijn beginjaren. Zijn vijf broers en twee zussen komen kijken. Op de gastenlijst staan ook altijd neefjes en nichtjes en soms daar de kinderen weer van. Zijn ouders kwamen ook tot op hoge leeftijd. Zijn vader stierf, 81 jaar oud aan een beroerte, zijn moeder kort daarna aan de ziekte van Alzheimer. Over de gruwel die die ziekte is, schreef hij het lied ‘Meneer Alzheimer’.

Iedereen die hem een brief schrijft, geeft hij antwoord. Geen zestien velletjes, maar toch. „Ik heb het over ziekte en dood, leven en liefde. Ik kan niet ontkennen dat mensen zich er in herkennen, er misschien troost uit putten. Als vier miljoen mensen mijn boeken kopen, als ze voor me in de rij staan, als ze me blijkbaar leuk vinden, is het minste wat ik kan doen iets terugschrijven.” Zoals hij het ook makkelijker vindt om een handtekening te geven dan te weigeren.

Binnenkort is hij professor Youp. Vanaf 8 maart geeft hij als ‘Cultural Professor’ aan de Technische Universiteit in Delft zes gastcolleges voor een groepje van twintig studenten. Hij gnuift als hij denkt aan wat hij gaat doen. Het thema is ‘Los van alles’ en veel wil hij er nog niet over kwijt. Hij is van plan de studenten mee te nemen naar een plek in Europa waar hij zelf altijd veel inspiratie opdoet. En dan „gaan we buiten de lijntjes kleuren”. De bedoeling is, met de technische kennis van de studenten en zijn veertigjarige ervaring als cabaretier „iets tastbaars” achter te laten op de TU. „En als het mislukt, is het net als het leven zelf.”

    • Rinskje Koelewijn