Gezocht: pingelaars én bikkelaars

De Nederlandse hockeyers vinden al ruim een decennium geen aansluiting bij de wereldtop: Australië en Duitsland. Waarom komen ze niet dichterbij?

En weer is er een seizoen voorbij zonder hoofdprijs voor de Nederlandse hockeyers.

Het is een herhaling van zetten geworden. Elf jaar geleden (Sydney, 2000) werden ze voor het laatst olympisch kampioen, de laatste wereldtitel dateert van 1998 (Utrecht). Jaar in, jaar uit blijkt dat het mannenteam van ’s werelds grootste hockeynatie (227.000 spelers) niet kan aanhaken bij olympisch kampioen Duitsland (75.000) en wereldkampioen Australië (200.000, inclusief schoolhockeyers). Het is geen toeval, weet elke betrokkene. Maar wat is precies het probleem? Is het een kwestie mentaliteit, of komen we technisch tekort?

Volgens oud-international Tom van ’t Hek, vrouwenbondscoach van 1994 tot 2000, begint het probleem al bij de jeugd. „We maken in het Nederlandse hockey heel braaf een breedteproduct. Te veel huismerk, te weinig A-merk. Wij hebben een heel brede piramide, maar zijn vergeten dat een piramide schuin omhoog moet lopen. Dan verlies je als groot hockeyland vrij kansloos met 3-1 van Spanje, met 7.000 spelers. Spanje heeft meer avontuurlijke spelers, al zijn ze veel minder goed opgeleid.”

Volgens Van ’t Hek wordt de jeugd veel te veel in een keurslijf gestopt. Volgens de geldende norm is het teamresultaat al in het jeugdhockey belangrijker dan het individu. „We horen altijd met veel gejuich dat Nederland een jeugdtoernooi heeft gewonnen. Maar als je elk jaar één speler van de jeugd naar de nationale ploeg kan halen is de opleiding succesvoller dan dat je met 6-2 van Jong Spanje wint en zestien dezelfde producten aflevert. Een kind krijgt al op zijn achtste te horen dat hij moet overspelen, niet pingelen. Je mag dus niet meer uitblinken. Je moet individueel gedrag juist bevorderen. Maar wij denken dan meteen aan ‘lastige kinderen’. Ik hoorde laatst dat een speler ‘te doelgericht’ was. Ik wist niet dat dat kon, in de sport. Kinderen moet je minder tactisch scholen en veel meer vrijheid van handelen laten ontwikkelen.”

Er is veel veranderd - en ‘vroeger’ is niet altijd beter, zegt oud-international en tweevoudig olympische kampioen Jacques Brinkman. „Maar je hebt nu meer buitenlanders in de competitie die Nederlandse talenten in de weg staan. Daarnaast maken trainers en kader het allemaal onnodig ingewikkeld. Laatst had een Schaerweijde-speler een schitterende actie, bijna een forehand als een linkshandige tennisser. Prachtig, maar dat wordt direct als techniek geïntroduceerd en tot oefenstof gemaakt. Je moet terug naar de basis. Techniek is niet alleen leuke trucjes, de bal van links naar rechts halen. Het moet functioneel zijn, zoals Taco van den Honert vroeger deed. En dat is ook keihard passen en kunnen aannemen.” Van ’t Hek ziet het gebeuren op trainingen. „Jeugdtrainers lopen rond met een fantastische uitdraai van de bond, met alle oefeningen die ze moeten doen. Maar ze hebben geen idee wat ze doen. Heel veel middelen zijn doel op zich geworden.”

De jeugd moet zich ontwikkelen, maar in de Nederlandse traditie stappen talenten volgens Van ’t Hek veel te snel over naar de hoofdklasseclubs. „Een kind van zes dat goed is gaat meteen naar een club waar alle andere kinderen ook goed zijn, uit angst de boot te missen. Als dat kind met zijn eigen clubje met 5-3 verliest van een grote club, maar wel drie keer scoort, ontwikkelt hij zich aanzienlijk beter dan wanneer hij als rechtsback bij die grote club speelt en met 13-0 wint van zijn oude clubje. Dat is wat je overal ziet. Kinderen van negen worden gebeld door ‘streekcoördinatoren’, door ‘misse’ mensen die zeggen dat als hij nog wat wil in zijn leven, hij naar club X, Y of Z moet. Weet je wanneer [de Duitse topspeler] Christopher Zeller is gaan hockeyen? Op zijn vijftiende. Vier jaar later was hij ’s werelds beste speler.”

Net als Van ’t Hek en Brinkman waakt oud-international Floris Jan Bovelander voor te veel negativiteit. „Er wordt soms een beetje neerbuigend over gedaan, alsof het helemaal niks voorstelt. Dat is natuurlijk onzin.” Maar de cornerspecialist van Bloemendaal, olympisch kampioen in 1996, constateert ook dat „we niet veel dichter bij Duitsland en Australië” komen. „Ik denk dat deze generatie iets meer echte karakters nodig heeft. Nu worden vooral de frivole, technische en tactische spelers gekozen, minder de bikkelaars, de ‘eikels’. Maar die heb je nodig. Ze vinden het heel vervelend om te horen, zeker van oude mensen als ik, maar de echte killersmentaliteit mis ik soms.”

Bij de laatste Champions Trophy zag hij het verschil. „Een Nederlandse verdediger deinsde terug toen een Nieuw-Zeelander op goal schoot. Een Australiër was ervoor gedoken. Wij zijn wat banger. Wij zijn ook niet zo makkelijk met dat suïcide-uitlopen. Bij andere landen zal het ze een zorg zijn of ze de bal tegen hun knie krijgen. Wij hadden destijds een paar ‘eikels’ die ook op de training altijd wilden winnen, tot bloedens aan toe. Die bikkelaars hebben ons gevormd. Ze kunnen nu alles met een bal, maar je moet ook de mentaliteit hebben om de absolute top te halen. Zoals Janneke Schopman bij de dames. Dat soort types hebben we niet bij de heren. Maar die schavers worden ook niet zo gepruimd. Het zijn niet de populairste jongens, misschien is dat wel het grootste gevaar.”

Dat gebrek aan „tegendraadse jongens” ziet Brinkman terug in de nationale ploeg. „Bij dit team loopt iedereen braaf in de pas. Af en toe zegt dan iemand dat we geen excuses meer mogen hebben. Maar meen je dat echt, of zeg je dat maar gewoon omdat dat wordt verwacht? Ik mis de mensen die tegengas geven, een deviant. Het is wetenschappelijk aangetoond dat je die nodig hebt voor succes. Maar dat zit in je, of niet. En in deze groep zie ik dat minder. Als je dat niet voorhanden hebt moet je als coach soms iets uithalen waardoor je spanning op zo’n groep zet. In het Nederlands begeleidingsteam mis ik die ervaring, daar zit niet iemand die alles al heeft meegemaakt.”

Brinkman onderstreept dat de Nederlandse mannen geen grote olympische traditie hebben. „We hebben vanaf 1987, eigenlijk tot aan 2004 geteerd op het werk van bondscoach Hans Jorritsma. Ik zie ons nog liggen op matjes in het clubhuis van HGC. Daar werd megahard getraind. Achter die racefiets van Jorritsma aan – en maar rennen. Dan gaat het erom: hoe hard wil je ervoor trainen? Wat zijn je echte drijfveren? Wil je net dat beetje extra geven? Bij sommigen in de huidige groep zou je daar vraagtekens bij kunnen zetten.”

In zijn slotanalyse van de Champions Trophy adviseerde Brinkman bondscoach Paul van Ass te durven ‘doorselecteren’. „Natuurlijk staan er geen tachtig spelers klaar. Maar bij Australië kunnen nog 42 spelers naar Londen. Waarom kan dat niet bij ons? Van de huidige groep zullen er een stuk of twaalf zeker zijn van de Spelen, maar een aantal moet het nog echt laten zien. Niet tegen Hurley, maar in de play-offs. Nederland moet zich niet neerleggen bij een derde plaats.”