Eiwitten in sperma helpen hiv om een menselijke cellen te besmetten

Onbeschermd seksueel contact is nog altijd de belangrijkste weg waarlangs mensen elkaar besmetten met hiv. Het virus dat de dodelijke ziekte aids veroorzaakt lijkt zich zelfs te hebben gespecialiseerd in die besmettingsroute. Onderzoekers van het Gladstone Institute in San Francisco hebben namelijk ontdekt dat bepaalde eiwitten in sperma het virus een handje helpen bij de besmetting. Na een zaadlozing worden deze eiwitten afgebroken en ontstaan fragmenten die het infecterend vermogen van het virus vergroten (Cell Host & Microbe, 15 december).

Sperma bestaat grotendeels uit eiwitrijk vocht dat de zaadcellen voedt en beschermt op weg naar hun doel, de eicel. Na de zaadlozing worden de eiwitten door een eiwitsplitsend enzym uit de prostaat in grove stukken gehakt. Sommige brokstukken klonteren daarna weer samen en vormen zogeheten amyloïde fibrillen. Die fibrillen binden zich aan de hiv-virusdeeltjes. Nu blijkt dat de met fibrillen opgetuigde virusdeeltjes makkelijker cellen van het immuunsysteem kunnen infecteren.

De Amerikanen zijn niet de eersten die deze fibrillen ontdekten. Die eer komt toe aan onderzoekers uit het Duitse Ulm. De Amerikanen hebben nu echter een tweede type ontdekt, waardoor de rol van deze eiwitfragmenten bij de overdracht van hiv nog belangrijker wordt dan totnogtoe werd aangenomen. Ze ontstaan uit de zogeheten semenogelinen. Deze eiwitten, afkomstig uit de zaadblaasjes, remmen de laatste rijpingstap van de zaadcellen. Die vindt pas plaats als de semenogelinen na de ejaculatie worden afgebroken. Bij sommige mannen ontbreken deze eiwitten in de zaadvloeistof. Als zij hiv overdragen is het virus veel minder besmettelijk dan in normaal sperma.

De fibrillen bevorderen de infectie doordat ze een kleine positieve lading hebben. Viruseiwitten en de membraaneiwitten van de cellen die hiv infecteert (macrofagen en T-cellen) zijn overwegend negatief geladen. Daardoor trekken de fibrillen het virus aan als een magneet en doen ze later hetzelfde met de afweercellen. Zo helpen ze het virus om te komen waar ze moeten zijn.

De onderzoekers gaan nu op zoek naar stoffen die de fibrilleren blokkeren. Die zouden de effectiviteit van de vaginale gels die in Afrikaanse landen worden gebruikt om hiv-infecties te voorkomen sterk kunnen verbeteren. Deze gels zijn maar matig effectief: ze dringen het aantal infecties met minder dan 40 procent terug. De totnogtoe gebruikte vaginale gels vallen alleen het virus aan. De onderzoekers denken dat toevoeging van negatief geladen polymeren aan de vaginale gel de fibrillen kan neutraliseren waardoor het virus minder virulent wordt. Huup Dassen