Dromen van een vrije Britse sterlingzone

Midden jaren negentig was de Britse economie zo sterk dat het zelf een muntunie had kunnen oprichten. Wat zou er gebeurd zijn als toen een sterling-zone was ontstaan?

In 1992 besloot Groot-Brittannië – tot grote vreugde van superspeculant George Soros – af te zien van de plannen om zich aan te sluiten bij een gemeenschappelijke Europese munt. Twee weken geleden raakte de Britse premier David Cameron in een lastig parket verzeild doordat hij het niet eens kon worden met de overige lidstaten van de Europese Unie, waarvan de meesten de euro inmiddels hebben geadopteerd.

Maar midden jaren negentig is er een periode geweest waarin Groot-Brittannië sterk genoeg was om zijn eigen, op het pond sterling gebaseerde, valutablok te vormen. Hoe anders zou de geschiedenis er uit hebben gezien mét zo’n sterlingzone? De Britse munt zou in elk geval minder gevoelig zijn geweest voor de problemen in de Verenigde Staten en op het Europese vasteland.

Stel dat de Britse premier John Major in 1994 partners had gezocht voor een uitgebreide sterlingzone. Zweden, dat in 1991 en 1992 te kampen had met een bankencrisis en een begrotingstekort van maar liefst 15 procent van het bruto binnenlands product, zou zijn lot graag hebben verbonden aan dat van de bloeiende Britse economie. Het door crisis geteisterde Finland en het met schulden overladen Denemarken zouden snel zijn gevolgd, net als Noorwegen, IJsland en Ierland. Zo zou in januari 1995 een uit zeven landen bestaand sterlingblok zijn gevormd.

We fantaseren verder. In Londen wordt datzelfde jaar een Sterling Central Bank (SCB) opgericht, met directieleden uit iedere lidstaat van het blok. Al spoedig neemt deze bank zowel het monetair beheer als het toezicht op de banken voor haar rekening. Portugal, dat sterke banden met Engeland onderhoudt, komt in 1998 bij de groep, en de op Scandinavië georiënteerde Baltische staten Estland en Letland worden in 2008 toegelaten.

Aanvankelijk wijdt het sterke Britse contingent van de SCB zich aan het overtuigen van de Scandinavische landen om hun staatsbedrijven te privatiseren en hun overheidsfinanciën te stabiliseren. Maar in 2002 en 2003 ziet de nieuwe Zweedse president van de SCB, Urban Backstrom, dat Groot-Brittannië en Ierland vastgoedzeepbellen aan het ontwikkelen zijn die lijken op die van Zweden in 1989 en 1990. Na verhitte debatten dwingt hij de rente omhoog van 4 procent naar 7 procent.

Vervolgens dalen de huizenprijzen in de sterlingzone, terwijl ze in de Verenigde Staten en delen van de eurozone – met name Spanje – omhoog blijven gaan. Twee middelgrote banken, de Britse Northern Rock – die in 1997 naar de beurs is gegaan – en de Ierse Anglo Irish Bank, gaan in 2004 failliet. Geen van beide instellingen wordt gered. De depositohouders worden ontzien en de obligatiehouders lijden verliezen.

De Britse en Ierse regeringen doen bescheiden investeringen in RBS, Lloyds Bank, Allied Irish Bank en Bank of Ireland. Het gevolg is een kleine economische recessie in 2004 en 2005, die leidt tot de val van de regering van Tony Blair. Een coalitie van Conservatieven en Liberaal-Democraten, met David Cameron als premier, komt na de verkiezingen van 2007 aan de macht.

Het sterlingblok doorstaat de crisis van 2008 en 2009 dankzij solide overheidsfinanciën. Door de mondiale crisis hebben de aandelen het zwaar te verduren, maar er gaan geen financiële instellingen failliet.

De sterlingzone is met ongeveer 6 procent van de wereldeconomie niet groot, tegen 20 procent voor de eurozone en 23 procent voor de Verenigde Staten. Maar de sterlingzone is wel aantrekkelijk. De financiële problemen van de buurlanden op het Europese vasteland, én de grote tekorten in de Verenigde Staten leiden tot een instroom van buitenlands kapitaal in de economieën van de sterlingzone. Landen als China, met grote valutareserves, zijn immers op zoek naar veilige beleggingsmogelijkheden, en zien de sterling als een goed alternatief voor dollars en euro’s.

Tot zover de fantasie. De echte Cameron zou er wel eens van kunnen dromen een sterlingzone op te zetten. Maar de Britse economie is vandaag de dag zwak, vergeleken met midden jaren negentig. De begrotingstekorten zijn bovendien veel groter.

Engeland draagt het stigma van het Europese buitenbeentje. Het heeft een grote economie en een serieuze munt, maar is lang niet groot genoeg om de Verenigde Staten of de eurozone uit te dagen. Dat hoeft niet per se een probleem te zijn, maar dat kan niet worden gezegd van het met één been in Europa en één been buiten Europa staan.

Martin Hutchinson

Vertaling: Menno Grootveld