Donner ís de overheid

Met de benoeming van minister Donner (Binnenlandse Zaken, CDA) gisteren tot vicepresident van de Raad van State is een schertsvertoning beëindigd die premier Rutte had moeten voorkomen. De enige kandidaat in een pseudotransparante procedure blijkt inderdaad benoemd, onder meer op partij politieke kleur. Het vertrek van Herman Tjeenk Willink door leeftijdsontslag stond jaren tevoren vast. Er was dus alle kans om het eerlijk te doen en ook naar buitenstaanders te kijken. Buiten het CDA bijvoorbeeld of ten minste buiten het kabinet – dat had al geholpen.

Intussen is niemand verrast. Niemand geloofde Rutte toen hij per advertentie kandidaten verzocht zich te melden. Niemand denkt dat Piet Hein Donner uit deze ‘selectie’ als beste te voorschijn kwam. Dit was een set-up en iedereen weet het. De premier lijdt gezichtsverlies endat komt hem ook toe. Dit is schadelijk voor het vertrouwen in de politiek en dus voor de relatie burger-overheid. Ook de nieuwe vicepresident krijgt een slechte start.

Het is ronduit erg dat dit de Raad van State treft, de hoogste bestuursrechter en belangrijkste wetgevingsadviseur. Die moet het juist van onafhankelijkheid, integriteit en de hoogste vorm van onkreukbaarheid hebben. De benoeming van de politieke insider Donner (63), machtspoliticus pur sang, regent uit roeping, tevens zeer bekwaam wetgevingsjurist, is het resultaat van handjeklap.

Dat Donner de post van minister van Binnenlandse Zaken vorig jaar aanvaardde met een half oog op de Raad van State, droeg bij aan een zwak laatste ministerschap. Zelf liet hij recent in de Kamer de term poppenkast vallen. Zoiets kan waar zijn, maar een minister is de enige die dat niet dient op te merken. Hij doet er immers q.q. aan mee. Alleen in de kwestie rond de onveilige overheidswebsites toonde Donner leiderschap door de macht in het falende bedrijf DigiNotar over te nemen. Maar een broodnodig voorstel om de provincies op de ‘noordelijke flank’ van de Randstad te laten fuseren, liep meteen dood op een Kamermeerderheid. Als minister van Sociale Zaken was hij een onbuigzaam en weinig effectief onderhandelaar. Hij liep vast met pogingen het ontslagrecht te verruimen. In het parlement wekte hij gaandeweg ergernis met een docerende, professorale debatstijl.

Als minister van Justitie was hij in 2002 meer op zijn plaats. Hij introduceerde in de nasleep van de terreuraanslagen de term ‘bruikbare rechtsorde’ . Zijn critici zagen er een nauw verholen verlangen naar minder waarborgen voor de burger in. Met nieuwe wetgeving dempte hij de nervositeit en onzekerheid die de terreuraanslagen ook in Nederland veroorzaakten. Politie en justitie kregen op veel terreinen ruimere opsporingsbevoegdheden. Er kwamen gebiedsverboden, contactverboden en meldplichten. Samenspanning en ‘terroristisch oogmerk’ werden nieuwe delicten. Donner wenste een beroepsverbod voor radicale predikers. Ook wilde hij ‘apologie’ strafbaar stellen, het verheerlijken van terreurdaden.

In zijn drie ministerschappen was Donner steeds zijn licht archaïsche zelf. Formeel, met een twinkeling in de ogen, driedelig kostuum en herenrijwiel – bewoner van zijn eigen olieverfschilderij. Scherp en origineel maar ook autoritair en gouvernementeel. Aanvankelijk was hij populair. Later groeide de weerstand. Openbaarheid van bestuur vond hij in toenemende mate onzin. De gemeente Haarlemmermeer die na de Schipholbrand besloot het cellencomplex te sluiten, werd keihard gecorrigeerd. Aan het toetsen van wetgeving door de rechter aan internationale mensenrechtenverdragen heeft de jurist Donner een actieve hekel. Ook van het initiatiefwetsvoorstel dat toetsing aan de grondwet mogelijk maakt is hij tegenstander. Donner is de bovengestelde overheid.

Tjeenk Willink wist ondanks decennia in het hart van de macht de analytische buitenstaander te blijven. In Donner krijgt de Raad van State een doorgewinterd politicus met een aantal granieten opvattingen. Maar misschien kan hij verrassen en weet hij de intellectuele vrijheid bij de Raad te gebruiken. Ook dat past bij hem.