De verleiding van het genot

De katholieke kerk heeft het boetekleed aangetrokken over het kindermisbruik. Frater Barnabas vertelt hoe hij in Borculo tientallen jongens misbruikte. „Het was iets wat bijzonder prettig was als het erop aankwam.”

Paul is 85 jaar en voormalig lid van de congregatie van de fraters van Utrecht. Van 1946 tot 1961 was hij als frater Barnabas verbonden aan het rooms-katholieke internaat de Leo Stichting in Borculo. Daar woonden jongens die door de kinderbescherming uit huis geplaatst waren. Ex-leerlingen hebben hem beschuldigd van seksueel misbruik.

Denkt u nog wel eens terug aan Borculo?

„Ja. Ik heb daar gewerkt, heel hard gewerkt. Naast mijn taak als leraar was ik surveillant op de slaapzaal. Mijn werkdag begon ’s morgens om half zes en duurde tot ’s avonds half tien.

„Het was een behoorlijk stuk van mijn leven. Ik was tot veel in staat. Ik ging met jongens de Vierdaagse lopen in Nijmegen. Dan nam ik het jongenselftal mee. Ik weet nog goed dat ik dat deed, zeven uur ’s ochtends weg, één uur ’s middags weer binnen. Ik deed er ook tafeltennis bij. En twee voetbalwedstrijden achter elkaar fluiten, daar draaide ik mijn hand niet voor om.”

En andere herinneringen?

„Ik herinner me de naam van die jongen die naar de autoriteiten liep niet meer. Wel wat er gebeurd was. De jongen was ziek. Hij lag op slaapzaal. Ik ging bij hem zitten en voelde of hij koorts had. Maar ja, daarbij ben ik te ver gegaan en dat heeft hij aan overste Ignatio gemeld. Ignatio kwam naar mij toe en vroeg of ik bezig was geweest. Ik heb meteen bekend. Ik had geen reden om daar ‘nee’ op te zeggen.”

Toen moest u weg.

„Iemand van het hoofdbestuur handelde het heel formeel af. Ik had me natuurlijk kunnen verdedigen; dat het werk in de loop der jaren erg belastend was. En aan de ambachtsschool lesgeven én in de avonduren én in het weekeinde altijd met die jongens bezig zijn.”

Bent u er voor veroordeeld?

„Nee, men heeft mij in 1961 weggehaald en meteen in Hilversum geplaatst, aan een kweekschool. Daar kreeg ik een baantje als portier. Er kwamen allerlei andere werkzaamheden bij, vooral in de tuin. Daarna ben ik uitgetreden.”

De politie is er niet bij gehaald?

„Nee, het bleef onder een soort dekmantel. Je werd overgeplaatst en dat was het dan. Mensen die er bekend mee waren, waren tamelijk onvriendelijk tegen mij. Maar je had er ook die dachten: ‘Och ja, daar komt er een uit Borculo.’ Dat gebeurde wel meer. Hilversum was zo’n beetje de uitwijkplaats.”

En de voogden van de jongens?

„Daar heb ik ook nooit iets van gehoord. Ik denk dat veel jongens niet geklaagd hebben. Dat deed maar een enkeling.”

Andere fraters zeiden dat het moeilijk was de seksualiteit te onderdrukken.

„Ja, zonder meer. Die kinderen hechtten zich aan je. Onderling waren ze er ook vaak mee bezig. Slaapkamertjes waren van boven open en ze kropen bij elkaar in bed. Dat was heel gewoon. En dan waren er knapen die mij ook uitnodigden. Van lieverlee ging dat zo.”

Heeft u zelf ook initiatief genomen?

„Het ging niet alleen van de jongens uit, het gebeurde ook op mijn initiatief. Dat was dus in de periode ná 1954, nadat ik mijn onderwijsakte behaald had. Toen werkte ik samen met een surveillant die mij daarin voorging. Dat was frater Theodulus. Die was dertien jaar ouder dan ik.”

Die deed dat soort dingen ook?

„Ja, ik herinner mij dat we om half tien de bedplassers moesten wekken op de slaapzaal. Dat was moeilijk, die waren goed in slaap en die moest je wakker maken. Dan stond zo’n jongen daar, slaapdronken. En dan zei mijn collega: ‘Als hij het niet doet, help je hem maar.’ Dan trok ik zijn pyjamabroek naar beneden.

„Theodulus was voor mij het voorbeeld. Ik wil hem niet de schuld geven, maar je vraagt je later af: hoe ben ik daartoe gekomen? Zeker omdat we de gelofte van kuisheid hadden afgelegd.”

Waren er nog andere fraters die zoiets deden?

„Niet dat ik weet, het ging allemaal tamelijk stiekem. Maar ik heb wel vermoedens.”

Veel van uw slachtoffers hebben nog last van wat er gebeurd is.

„Dat heb ik me later wel gerealiseerd. Dat was toch heel ingrijpend in zo’n leven van een jeugdig persoon. Ik heb het over jongens van 10 tot 14 jaar.”

Er zijn waarschijnlijk tientallen jongens die zulke herinneringen aan u hebben.

„Dat zou best eens kunnen. Het heeft verschillende jaren geduurd. Je had jongens die er aan meewerkten en anderen niet. Dan ging je daar niet naar toe.”

Heeft u de berichten over seksueel misbruik gevolgd?

„Elke keer als ik er over hoor, moet ik er aan denken. Hoe ik ertoe gekomen ben, ik zou het niet weten. Er zal een soort spanning geweest zijn, zo van: wij dragen de lasten van andermans lusten. Van ouders die niet goed met hun kinderen omgingen. Het kon gebeuren dat er jongens bij waren die op dat gebied thuis al een en ander hadden beleefd. Dan was het heel gauw raak.

„Het was een schijnvertoning, zoiets doen en de rest van de dag in kloosterkledij rondlopen alsof er niets gebeurd was.”

Heeft u nog contact gehad met de fraters?

„Nee, nooit meer contact gehad. Ik vind dat zij, de leiding van Borculo, niet helemaal vrijuit gaan. Ze hadden mij dat niet allemaal moeten opdragen. Ze hebben misbruik gemaakt van mijn grote ijver en goedwillendheid. Het is nogal wat om ’s morgens om half zes te beginnen en ’s avonds om half tien pas klaar te zijn. Ook in de vakanties.”

Was er tijdens uw opleiding tot frater aandacht voor seksualiteit en hoe daar mee om te gaan?

„Er werd nooit over gesproken. Ik weet nog dat we, toen ik op het juvenaat was, één keer een soort voorlichting kregen van de rector. Dat heeft hij nog eens herhaald, halfweg het noviciaat. Er was geen aandacht en het werd niet belangrijk gevonden. Bij mij thuis werd over seksualiteit absoluut niet gesproken.”

U legde wel de gelofte van zuiverheid af.

„Ik was daarmee in overtreding.”

U biechtte?

„Je ging dat wel biechten, maar er was niet iemand die zei: zullen we daar eens wat dieper op ingaan? Het was altijd een weggedrukt onderwerp, seksualiteit en lichamelijkheid. We deden of we het niet wisten of zagen.”

U wist dat wat u deed niet goed was. Maar toch deed u het.

„Ja, heel merkwaardig. Het was iets wat bijzonder prettig was als het erop aankwam. Verder had je niets, behalve werken en wat roken.”

Het was de verleiding?

„Ja, de verleiding van het genot. En uh, er waren jongens die het ervaren hebben als iets heel verschrikkelijks en van mij uitgaande, maar er waren ook jongens die mij met klem uitnodigden. Die vonden dat op hun beurt ook heel bijzonder.”

    • Joep Dohmen