De Snoek, de Eend, het Muisje

Aflevering 16: de auto, van Benz tot Smart. En niet te vergeten: de Citroën DS.

AFP PHOTO ALAIN JOCARD

Auto’s zijn het equivalent van de grote gotische kathedralen, vond de Franse criticus en socioloog Roland Barthes. In Mythologies (1957), zijn baanbrekende analyse van zulke verschillende cultuurverschijnselen als striptease en de Guide Bleu, beschreef hij auto’s als ‘de opperste schepping van een tijdperk, met passie geconstrueerd door onbekende kunstenaars en geconsumeerd als beeld én als gebruiksvoorwerp door een heel volk dat ze als puur magische objecten beschouwt.’

Barthes had het in het bijzonder over de Citroën DS – Déesse (‘godin’) in het Frans, Snoek of Strijkijzer in het Nederlands, Boca de Sapo (‘kikkerbek’) in het Portugees, Haifisch (‘haai’) in het Duits en Tibúron (idem) in het Spaans. Het gezamenlijk ontwerp van de Franse luchtvaartingenieur André Lefèbvre en de Italiaanse beeldhouwer en industrieel vormgever Flaminio Bertoni stond toen al bekend als het summum van design for the millions, met zijn aerodynamische vorm, zijn hydropneumatische vering en zijn schijfremmen. De automobielfabriek Citroën, na de Eerste Wereldoorlog opgericht door de Nederlands-Franse munitiefabrikant André Citroen, had een naam hoog te houden. Eerder produceerde ze – in de vormgeving van Bertoni – ook de Traction Avant (1934), tegenwoordig een gewild rekwisiet in films over de Tweede Wereldoorlog, en de 2CV (1948), die niet zo lelijk was als zijn bijnaam deed vermoeden.

André Citroën, die in 1935 naar zijn graf werd gereden in een auto van de grote concurrent Renault, had zijn ideeën voor de massaproductie van auto’s opgedaan in de VS. Daar produceerde de half-Belgische Henry Ford sinds 1908 aan de lopende band T-Fordjes – met een simpele vormgeving, ‘verkrijgbaar in alle kleuren zolang het maar zwart is’. Amerika was en is het ideale land voor gemotoriseerd vervoer, alleen al door de grote afstanden die moeten worden afgelegd; de auto is er onderdeel van de nationale identiteit, en de Studebakers en Cadillacs van bijvoorbeeld de Franse immigrant Raymond Loewy zijn vormgevingsiconen. Maar dat neemt allemaal niet weg dat de automobiel, zijn naam dankt aan het Griekse woord voor ‘zelf’ en het Latijnse woord voor ‘bewegend’, een Europese vinding is. Amerikanen kwamen er in de zogeheten veteran car era (1885-1904), of in het stenen tijdperk van zeilwagens, stoomautomobielen en elektrisch aangedreven koetsjes (!), niet aan te pas.

Succes heeft vele vaders, en de auto dus ook. Zelfs de uitvinding van de benzine, noodzakelijke brandstof voor de eerste verbrandingsmotoren (van de Waal Etienne Lenoir, 1862, en de Duitsers Nikolaus Otto, 1878, en Gottlieb Daimler, 1885), wordt aan verschillende chemici toegeschreven. Maar de eerste ‘motorwagen’ werd in 1885 gebouwd door de in Mannheim werkende Carl Benz, die overigens niets te maken had met de naamgeving van de benzine. Drie later maakte zijn vrouw Bertha een proefrit over 180 kilometer, waarmee het succes van het model Benz Victoria werd ingeluid. Een langdurend succes was het niet; na vele dreigende faillissementen fuseerde Benz in 1926 met Daimler, die zijn auto’s onder de naam Mercedes verkocht.

PHOTO: Daimler Benz

1886 - Benz Patent-Motorwagen. PHOTO: Daimler Benz

Mercedes-Benz (trefwoorden ‘chic’ en ‘degelijk’) geldt als een van beroemdste Europese automerken. Maar eigenlijk is het moeilijk te bepalen welk merk en welk type het meest in het collectieve bewustzijn gegrift staat. Oftewel: wat is de Notre-Dame de Chartres onder de auto’s? De Rolls-Royce misschien, het door een vliegtuigmotor aangedreven symbool van betrouwbaarheid en Britse elegantie? De Ferrari, de Porsche of de Maserati, de natte dromen van snelheidsduivels en stroomlijnfetisjisten? De Fiat 500 (de Topolino, ‘muisje’, Rugzakje), de Mini Cooper of de Smart, de ultieme stadsauto’s? De Volkswagen, die in 1938 onder een ongelukkig gesternte – op instigatie van Adolf Hitler, onder auspiciën van Ferdinand Porsche – werd ontworpen, maar als Kever en (New) Beetle de wereld zou veroveren? Of heeft ieder Europees land toch zijn eigen kathedraal, variërend van de Volvo (nee: de Saab!) in Zweden, de Lada (en de Zilch) in Rusland, de Trabant in oostelijk Duitsland, de DAF (of toch de Spyker?) in Nederland.

Vanzelfsprekend zijn al die auto’s in de kunst terecht gekomen. Op schilderijen en in sculpturen, in films en televisieseries, in romans en novelles, van The Wind in the Willows (1908), waarin Pad als een futurist avant la lettre over de wegen racet, tot het Amerikaanse computerspel Grand Theft Auto. En niet te vergeten in musicals en popmuziek, waar over elke beleving van de auto wel een liedje is gemaakt. Mijn eigen favoriet is ‘Autobahn’ van de Duitse elektrogroep Kraftwerk. Het meer dan negen minuten durende nummer wordt altijd beschouwd als een hoogtepunt van afstandelijk minimalisme, maar is in feite een klassiek-romantisch lofdicht op de grandeur van de autoweg. Natuurlijk, de enorme afstanden die de auto aflegt over de ‘graue Band’ (‘weisse Streifen, grüner Rand’) zorgen voor een zekere eentonigheid, die superieur wordt verklankt door synthesizer, drum en gezongen refrein (‘Wir fahr’n, fahr’n, fahr’n auf der Autobahn’). Maar de hoogteverschillen en daaraan verbonden vergezichten en lichteffecten maken veel goed: ‘Vor uns liegt ein weites Tal / Die Sonne scheint mit Glitzerstrahl.’ Romantici als Heinrich Heine en Joseph van Eichendorff hadden het niet beter kunnen zeggen.

En zo zijn we weer terug in het kerngebied van de auto, tussen de A3 (Emmerich-Passau) en de A8 (Saarbrücken-München). Alleen blijft één vraag onbeantwoord: in welk type van welk merk reden de synthesizertovenaars van Kraftwerk?

    • Pieter Steinz