Wind

Het was stormachtig weer, de laatste tijd. Zo’n wind waar je tegenaan kunt leunen op straat als je naar de brievenbus moet. De golven van het IJ, die in gesloten gelederen komen aanstormen, hebben witte kopjes. De wind huilt in huis. Dat komt natuurlijk doordat de slaapkamerdeur openstaat, maar als ik hem zorgvuldig dichtdruk gaat het nog veel harder huilen. Toen ik nog op het platteland woonde vlogen er iedere herfst wel een stel pannen van het dak. Op naar Midwoud, waar ze voorraden dakpannen hebben. Mulderpannen, dat had ik onthouden, Mulderpannen. De auto volgeladen en naar huis. Maar ik moest de plaatselijke aannemer vragen ze er op te leggen, want ik ging voor geen goud het dak op. „Aansteller”, schold ik op mezelf, „moet je maar niet in een stolpboerderij gaan wonen!”

Maar in de stad is het ook erg. Vooral ’s nachts zijn er, behalve buiten, ook in huis onverklaarbare geluiden. Ik lig te luisteren en in mijn halfslaap meen ik zeker te weten dat er iemand in huis loopt, iemand met ritselende kleding, een vrouw vermoed ik. Daar hoor ik slepende voetstappen in de gang, nu gaat ze de hoek om, loopt tegen een deur op, dat mens lijkt wel dronken, daar komt ze weer met haar ruisende gewaad en ik zie haar in mijn verbeelding voor me; een vrouw van middelbare leeftijd in een lange jurk met veel plooien, verwarde haren die alle kanten opstaan, een waanzinnige blik in de ogen, schuim op de mond. Want tussen waken en dromen gaat je fantasie met je op de loop. Eenmaal wakker weet ik: er is niemand. Het is de wind, het is de wind.

Dat er mensen zijn in Zuid-Frankrijk die krankzinnig worden van de mistral kan ik me goed voorstellen. Zelf heb ik de neiging te gaan schreeuwen: „Hou op met waaien!!”

Maar niets helpt.