Vondel in de canon als vaderlander

Joost van den Vondel, P.C. Hooft en Constantijn Huygens zijn in de literaire canon opgenomen omdat ze voorbeeldige Nederlanders waren; niet speciaal om hun literaire kwaliteit. Dat schrijft letterkundige Francien Petiet in haar dissertatie ‘Een voldingend bewijs van ware vaderlandsliefde’. De creatie van literair erfgoed in Nederland, 1797-1845 waarop zij gisteren in Amsterdam promoveerde.

Petiet laat zien hoe in de eerste helft van de 19de eeuw geleidelijk een literaire canon werd gevormd, door de eerste generatie Neerlandici en de artikelen en handboeken die zij publiceerden. Het voornaamste criterium was de Nederlandse identiteit. Schrijvers moesten zedelijk, tolerant, huiselijk en godsdienstig zijn – Hooft en Vondel waren dat.

Een van de eerste hoogleraren Nederlands, Matthijs Siegenbeek, schoof Vondel naar voren als de grondlegger van ‘Neêrlands zangberg’. Hij ging er zelf haast van zingen: „Weldan, dat wij juichen in het geluk, van Nederlanders geboren te zijn, daar ons Vaderland zich, boven alle andere landen, op een groot aantal van dergelijke uitmuntende stervelingen verheffen mag.”

Bijgevolg was er weinig waardering voor letterkunde van vóór de Gouden Eeuw, zoals het ‘misselijk gerijmel’ van Anna Bijns (1493-1575). En Karel ende Elegast (13de eeuw), een klassieker naar huidige maatstaven, was volgens Vaderlandsche letteroefeningen zelfs ‘een misselyke roman’.

Of het nu is op basis is van literaire of nationale verdiensten, toneelgezelschap Het Toneel Speelt gaat vanaf 1 januari op toernee met Vondels Gijsbrecht van Aemstel (1637).

    • Arjen Fortuin