Veteranen in het wit

Bergbeklimboeken bevatten de vaste ingrediënten kou, wind, machismo en tragedie. Reisschrijver Wade Davis pakt het in zijn nieuwe boek anders aan, door de Everest met de Eerste Wereldoorlog te verbinden.

The last light of the day sets on Mount Everest as it rises behind Mount Nuptse as seen from Tengboche, in the Himalaya's Khumbu region, Nepal, Thursday, Oct. 27, 2011. Everest, the world's highest mountains, stands at 8,848 meters (29,029 feet). (AP Photo/Kevin Frayer)

Wade Davis: Into The Silence. The Bodley Head, 655 blz. € 30,– Een Nederlandse vertaling verschijnt in januari bij De Bezige Bij.

‘Because it’s there.’ Het antwoord dat de Britse bergbeklimmer George Mallory gaf op de vraag waarom hij Mount Everest wilde bedwingen, raakte een snaar. ‘Het was’, schrijft antropoloog en reisschrijver Wade Davis in het meeslepende Into the Silence, Mallory, The Great War and the Conquest of Everest, ‘alsof hij in zijn wijsheid de volmaakte essentie van zowel leegte als doel had gedestilleerd.’

Mallory’s woorden vonden hun weg naar monumenten en preken en worden geciteerd door presidenten. Maar de waarheid was prozaïscher. Mallory, moe van steeds dezelfde vraag, wilde iemand afpoeieren ‘die tussen hem en een broodnodige borrel stond.’

Voordat Sir Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay in 1953 als eersten de top van Everest bereikten, was de berg in het collectieve geheugen versmolten geraakt met Mallory, die deelnam aan de drie eerste Everest-expedities. De voormalige soldaat en leerkracht was een sportidool avant la lettre, niet in het minst door zijn verschijning. Zoals Lytton Strachey, lid van de fameuze Bloomsburygroep, schreef: ‘Hij heeft het lichaam van een atleet gebeeldhouwd door Praxiteles, het gezicht – ongelooflijk – met het mysterie van een Botticelli, het verfijnde en delicate van een Chinese prent, de jeugd en het zinnenprikkelende van een nauwelijks voor te stellen Engelse schooljongen.’

Al die potentie en schoonheid waren gedoemd te worden weggevaagd door ’s werelds hoogste berg.

Gewoonlijk gaan boeken over bergbeklimmen over niets dan bergbeklimmen. De ingrediënten zijn kou, wind, tragedie en machismo. Denk aan Touching the Void (1988) van Joe Simpson, die op de Siula Grande zijn been brak en naar beneden kroop, of Jon Krakauers Into Thin Air (1997), over een noodlottige Everest- beklimming in 1996 – hoewel Krakauer in dat boek ook kritisch is over het klimtoerisme waaraan Everest ten prooi is gevallen. Davis’ ambities zijn andere. Hoewel Into the Silence een uiterst gedetailleerd verslag biedt van de Everest-expedities van 1921, 1922 en 1924, plaatst de auteur ze in een historische, politieke en maatschappelijke context. Dat tilt Into the Silence ver boven reguliere klimliteratuur uit.

De 8848 meter hoge Everest, gelegen op de grens van Nepal en Tibet, werd pas in 1858 door Britse landmeters tot hoogste berg op aarde gekroond. De berg, in het Tibetaans Chomolungma of ‘Heilige Moeder’, werd vernoemd naar de voormalige Surveyor General, Sir George Everest, een onaangenaam heerschap dat heiligdommen als belemmeringen zag. ‘Diens familienaam werd uitgesproken als Eave-rest’, merkt Davis op. ‘Het is ironisch dat zijn erfenis bestaat uit een naar hem vernoemde berg waarvan de naam voor eeuwig verkeerd zal worden uitgesproken.’

Al in de 19de eeuw werd gefilosofeerd over het bedwingen van de berg. Het doel was een ‘grand Imperial gesture’. Daarom stond Lord Curzon, de onderkoning van India, op een exclusief Britse expeditie. Diplomaten waren minder enthousiast. De fragiele verhoudingen met Tibet, en indirect China, zouden negatief beïnvloed kunnen worden, terwijl toegang tot Nepal, waar de tegenwoordig meest gebruikte route ligt, nog altijd was afgesloten. De noodzaak voor een groot gebaar werd op 14 december 1911 echter acuut doordat de Noor Roald Amundsen als eerste de Zuidpool bereikte. Het wereldrijk ‘waarin de zon nooit ondergaat’ had iets recht te zetten.

Wegens WO I zou het nog tot 1921 duren voor er van de plannen werk kon worden gemaakt. Maar dat is niet de enige reden waarom de beklimming van de Everest niet los te zien valt van The Great War. Vrijwel alle expeditieleden waren door de verschrikkingen ervan aangeraakt – ze hadden gediend in de loopgraven, die door Davis in bloedstollend detail worden opgeroepen. Waar exploratie voorheen een spel was voor aristocraten en gentlemen soldiers, werd de Everest aangevat door een generatie waarvan de idealen waren bezoedeld. Uit de dagboeken en brieven die de expeditieleden bijhielden, blijkt hoe vaak ze tijdens de klim refereren aan hun oorlogservaringen.

Siegfried Sassoon schreef ooit: ‘Hij die de oorlog had meegemaakt op zijn ergst, was voor eeuwig losgezongen geraakt van iedereen, behalve van zijn mede-soldaten.’ De veteranen waren teruggekeerd naar een land dat gedomineerd werd door zij die niet gediend hadden. Erger: het thuisfront had, dankzij opgewekte propaganda, een volslagen verkeerd idee van de loopgraven. ‘Ik kon simpelweg niet met deze mensen praten, laat staan samenwerken,’ memoreert een veteraan. ‘Tussen ons was een donker scherm van horror neergelaten.’ Dat verklaart een van de curieuze bijwerkingen van de vrede, zegt Davis. ‘Het verlangen van veteranen om ergens anders dan thuis te zijn. Reizen werd een bron van irrationeel geluk, de viering van het simpele genoegen in leven te zijn.’

In dit diepgravend geresearchte boek – dat bij vlagen onder het gewicht van details kraakt, maar je vooral het gevoel geeft zelf door het mysterieuze Tibet te dwalen – zijn The Great War en de Everest onderdeel van een groter verhaal dat tussen de regels door zijn beslag krijgt: de teloorgang van de koloniale wereld van de gentleman amateur en de opkomst van het moderne professionalisme.

De expedities van 1921, 1922 en 1924 werden op touw gezet door de Mount Everest Committee van The Alpine Club en The Royal Geographical Society, chique herenclubs. In 1921 waren de regels van die kringen onwrikbaar – nette heren die eigenlijk niet fit én te oud waren, mochten gewoon mee, en sommige welgestelde deelnemers betaalden hun eigen overtocht. In 1924 werden er al uiterst moderne mediacontracten gesloten door cameraman John Noel.

De dichotomie tussen het koloniale en het moderne tijdperk komt het duidelijkst tot uiting in de discussie over zuurstofflessen, die in 1922 voor het eerst werden meegenomen. George Finch, een excentrieke Australische klimmer die hooguit geduld werd door zijn collegae, geloofde dat de top slechts met behulp van zuurstof bereikt kon worden. Op acht kilometer hoogte was de lucht simpelweg te ijl om te kunnen functioneren, zo vermoedde hij. De hoogten die bereikt moesten worden waren ongekend – in zekere zin stond de missie gelijk aan een reis naar de maan. De oudere mannen van de Mount Everest Committee dachten er anders over. ‘Het vraagstuk was niet zozeer technisch, als wel ethisch en esthetisch’, schrijft Davis. ‘Traditionalisten, zoals [Royal Geographic Society-secretaris] Arthur Hinks en [expeditieleider] General Bruce, vroegen zich af of het gebruik van aanvullende zuurstof wel sportief was. [...] Mallory noemde het ‘vervloekte ketterij.’ Hinks, die niets van bergbeklimmen wist, liet zich het krachtigst uit. ‘Alleen snertkerels zouden zuurstof gebruiken.’ Die kwalificatie, ‘snertkerel’, was voor een Britse gentlemen de meest schadelijke denkbaar.

Een dag nadat Mallory in 1922 het hoogterecord van de Hertog van Abruzzi had verbroken zónder zuurstof, bewees Finch zijn gelijk. Samen met de volslagen onervaren Geoffrey Bruce, neefje van de generaal, verpulverde hij met zuurstofflessen eenvoudig Mallory’s record. Het maakte van Mallory een bekeerling.

De zuurstofdiscussie staat symbool voor een twilight era. De breuklijnen zijn overal. Toen het gifgas over het gebombardeerde Vlaamse en Franse land dreef en de eerste tanks door de modder ploegden, geloofde veldmaarschalk Douglas Haig nog steeds dat het paard het hart zou blijven vormen van een krachtig leger. Zijn onvermogen zich aan de technologische vooruitgang aan te passen, zou miljoenen jonge mannen het leven kosten. Het was de laatste oorlog geleid door aristocraten met weinig technische en tactische bagage.

Treffend is ook de race naar de Zuidpool. Toen de Brit Robert Falcon Scott als eerste de Zuidpool probeerde te bereiken, werd hij – deze week 100 jaar terug – verrast door de Noor Amundsen, die zijn plannen akelig stil had gehouden en eerder de pool bereikte. Lynne Cox, een openwaterzwemster die zich door Amundsen heeft laten inspireren, heeft in het vrij matige Zuidwaarts met de zon diens carrière en drijfveren in kaart gebracht. Amundsen komt naar voren als een berekenende professional, handelend volgens het adagium: ‘Avontuur is niets dan slechte voorbereiding.’ Hij zou worden vervloekt in de kringen van de Royal Geographical Society én in de Britse pers. Omdat hij Scott een trucje had geflikt, maar bovenal omdat hij zijn voorraden had laten trekken door honden, die hij afschoot zodra ze uitgeput waren, waarna ze als voer konden dienen. Dat deed een gentleman niet. Die trok zelf zijn slee, zoals Scott, die de pool bereikte maar op de terugweg met zijn mannen omkwam.

Scott en Amundsen zijn sindsdien ‘de romantische martelaar’ en de ‘cynische professional’. Terecht is dat niet – ook Scott was moderner dan de Britten en de RGS lief was. Hij had zich verdiept in de kunst van het skiën, had pony’s honden en gemotoriseerd vervoer bij zich. De pony’s stierven, de auto deed het niet. Toen is de fatale beslissing genomen de honden niet mee te nemen naar de pool. Het is vooral het aansluitende debat dat laat zien hoe de wereld, tegen heug en meug, aan het veranderen was.

Zuurstof of niet, de omstandigheden voor de Everest-expeditie van 1924 waren niet ideaal. Finch, de briljante lastpak, had zich onmogelijk gemaakt met zijn moderne opvattingen over betalingen en beeldrechten. Zijn plek werd ingenomen door de piepjonge Andrew ‘Sandy’ Irvine, net als Finch een uitmuntend ingenieur, maar een veel minder ervaren klimmer. Mallory werd aangezocht, maar pruttelde lang tegen. Met tegenzin verkoos hij zijn White Whale boven vrouw en kinderen.

Op 8 juni 1924 verlieten Mallory en Irvine, voorzien van zuurstofflessen, hun hoogste kamp, in een poging de top te halen. Noel Odell, die een kamp lager toekeek, volgde met zijn kijker de stipjes tot een paar honderd meter onder de top. Toen verloor hij ze uit het oog. Vergeefs zou hij wachten op hun terugkomst.

Mallory’s lichaam zou pas in 1999 worden teruggevonden, dat van Irvine nooit. Gelukkig laat Davis zich niet verleiden tot iets waaraan menigeen zich na 1924 bezondigde: suggereren dat Mallory de top wél had gehaald. Op basis van de moeilijkheidsgraad van het traject en de verwondingen van Mallory is aannemelijk te maken dat het tweetal op een steenworp van de top ten val is gekomen. Na de dood van Alexander Kellas in 1921, en de zeven door een lawine meegesleurde Sherpa’s van 1922, waren Mallory en Irvine het 10e en 11de slachtoffer van een berg die nog altijd vele levens eist.

Het is opmerkelijk met welk een sangfroid de andere expeditieleden dat drama opvatten. Dit is andermaal, laat Davis zien, terug te voeren op de oorlog. Zoals expeditielid Teddy Norton schreef: ‘Vanaf het eerste moment accepteerden we het verlies van onze kameraden met de rationele distantie die onze generatie zich had aangeleerd tijdens The Great War; nooit verloren we ons in morbide mijmeringen over wat niet kan worden teruggedraaid. Maar de tragedie was vers, en dichtbij. Zoals steeds in de oorlog, zo ook had in deze nagebootste campagne de Dood een tol geëist van de besten onder ons.’

Lynne Cox: Zuidwaarts met de zon.Prometheus, 320 blz. € 22,50

    • Auke Hulst