Strafhof: genocide Soedan houdt aan

In Soedan maken regering en militieleiders zich nog steeds schuldig aan genocide en misdaden tegen de menselijkheid. Dat heeft de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof, Luis Moreno-Ocampo, gisteren gezegd voor de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Volgens Ocampo zou de arrestatie van zes verdachten, onder wie president Omar al-Bashir, een einde maken aan de misdaden in de westelijke regio Darfur. „De wereld weet waar de voortvluchtigen van het Strafhof zijn. Ze zitten in officiële posities en besturen de regering en het leger”, zei Ocampo.

Ocampo benadrukte dat het feit dat ze nog niet zijn opgepakt niet betekent dat dit niet zal gebeuren: „Het duurde achttien jaar tot alle 161 verdachten aan het Joegoslavië-tribunaal waren uitgeleverd.”

De Soedanese VN-ambassadeur kritiseerde de aanpak van de hoofdaanklager naar aanleiding van de recente aanklacht tegen minister van Defensie Mohamed Hussein: „Waarom wachtte hij vijf jaar met deze aanklacht?” Hussein wordt ervan verdacht in Darfur misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te hebben begaan tussen augustus 2003 en maart 2004.

In Darfur vecht de regering samen met Arabische milities sinds 2003 tegen Afrikaanse oppositiegroepen. Tijdens dit conflict zijn volgens schattingen van de VN 300.000 mensen omgekomen en 2,7 miljoen mensen ontheemd geraakt.

Het Strafhof heeft vanaf 2007 arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen een serie Soedanese hoogwaardigheidsbekleders, onder wie in 2009 president Bashir. Alle lidstaten van de VN zijn verplicht de verdachten te arresteren als ze binnen hun landsgrenzen komen. Maar de Afrikaanse Unie weigert het arrestatiebevel uit te voeren, omdat het „Afrikaanse solidariteit ondermijnt”. Ook vindt de AU dat met het arrestatiebevel de soevereiniteit van Soedan in het geding komt. Bashir heeft dan ook ongemoeid Malawi, Kenia, Tsjaad en Djibouti kunnen bezoeken. (Reuters, AP)