Sportjournalist moet je kippenvel geven

De sportende mens observeren en beschrijven was ooit een kunst, maar de sportjournalistiek wil alleen nog scoren met oneliners, schrijft Guus van Holland.

De taal van lichamen die tot het uiterste worden gespannen om uitzonderlijke prestaties te leveren, spreekt mij aan. Het is de lichaamstaal van een sporter.

Ik wil lezen wat de sportschrijver heeft geboeid. Wat hij heeft gezien, gehoord en gevoeld, wat zich in dat sportende lichaam heeft afgespeeld. Zat hij scheef op zijn fiets, speelde hij hautain, trotseerde hij met speels gemak de aanvallen op zijn gemoed, transpireerde hij als nooit tevoren, blokkeerden zijn spieren en gewrichten? Komt wat de verslaggever beschrijft overeen met wat ik op de televisie heb gezien of op de radio heb gehoord? Of ziet hij het toch anders?

Zo is het ongeveer een eeuw geleden begonnen: het schrijven over sport. Bedreven door journalisten en schrijvers om de verkoop van de krant te vergroten, of het nu over wielrennen, voetbal, boksen, rugby, atletiek of tennis ging. Beeldend over sport schrijven was een handelsmerk.

Sportjournalisten werden geacht sportschrijvers te zijn, een beetje in navolging van hun poëtische voorgangers uit Griekse tijden. Beeldend proberen te schrijven, geholpen door historisch besef, inzicht, deskundigheid en nieuwsgierigheid, gestuurd door al hun altijd geopende zintuigen. De sportende mens observeren alsof ze kunst maken.

Alsof? Ze maken nog steeds kunst. Maar sportverslaggevers zien dat niet meer, en willen of mogen dat niet meer. Aan sport doen, maar er vooral over lezen en over schrijven, heeft mij als mens ontwikkeld en nieuwsgierig gemaakt naar wat mensen beweegt. Ik las The Best American Sports Writing of the Century, met sidderende verhalen van David Remnick, Hunter S. Thompson, John Feinstein en Norman Mailer. Ego van Norman Mailer gelezen, over Muhammad Ali? Kippenvel! En Dino Buzzati, Antoine Blondin, Hans Ulrich Gumbrecht en Angelsaksische sportswriters. Dat wilde ik ook. Mijn droom.

De beeldende verhalen en verslagen zijn nauwelijks in kranten te lezen. Wel in zogenoemde literaire sporttijdschriften als De Muur, over wielrennen, en Hard Gras, over voetbal. De redactie van Hard Gras beloont sinds enige jaren het beste sportverhaal van het jaar. Hoewel ik me eens kritisch heb uitgelaten over hun keus, blijft het een lovenswaardig streven. Vooral omdat vorig jaar de eerste prijs ging naar een voetbalverslag van de WK-finale in Zuid-Afrika. Je hoefde de wedstrijd niet gezien te hebben om hem later te beleven.

Je zult maar topsporter zijn en je dagelijks uitputten. Trainingsstages, strenge diëten, een Spartaanse levensstijl in een tunnel die zich richt op dat ene doel: goud en eeuwige glorie. Je zult maar trainer zijn, coach, bewegingswetenschapper, sportpsycholoog, sportbestuurder, en dan met de huidige sportjournalistiek te maken krijgen.

De journalist die nu de sportredactie vertegenwoordigt, hoeft geen kennis te hebben over sport. De journalist hoeft niet goed te kunnen schrijven – of na te denken. Hij noteert wat hij hoort en schrijft dat op. Historisch besef, inzicht, vogelperspectief? Niet belangrijk. Scoren, met een oneliner. Opwinding in programma’s op televisie, radio, en dus in de dorpskroeg, is verzekerd.

Sinds dit jaar wordt door de Fontys Hogeschool Journalistiek en Voetbal International een cursus voetbaljournalistiek georganiseerd. Maar wat moeten die studenten als voetballiefhebber, wanneer het voetbalnieuws zich moet toespitsen op achterklap, rellen en randnieuws? Wat hebben zij aan nieuwsgierigheid naar achtergronden, wetenschap en historie wanneer ze solliciteren naar een baan als sportredacteur?

Reljournalistiek, dat kan toch ook worden bedreven door journalisten die geen sportkennis hebben? Opwinding buiten de arena is een belangrijke bijzaak die door de sportjournalistiek, aangestuurd door de platte commercie, tot hoofdzaak wordt verheven.

Hoofdredacteuren gaan voorbij aan de specifieke kennis van echte sportjournalisten. Het is van secundair belang.

Golf, basketbal, volleybal, hockey, judo, schaatsen en korfbal zijn voor media alleen interessant als over doping en omkoping wordt gesproken. Zodra een gerucht wordt verspreid over doping, zodra een voetballer naar zijn tegenstander knipoogt, zodra een sporter zich aan drankgebruik overgeeft of een verslaving niet meer kan verwerken, gaat het alarm af. Sensatie. Minutenlang, pagina’s vol wordt er gespeculeerd. Totdat het wegebt, verdwijnt en plaatsmaakt voor een nieuwe speculatie.

Wordt er gedacht aan de kwetsingen die worden aangericht bij mensen die door de opportunistische media worden beschuldigd? Aan wat sportjournalisten (vaak nog jonge) sporters aandoen door ze te snel op een voetstuk te zetten om ze vervolgens bij de minste tegenslag af te branden? Nee, niet interessant. Seks, drugs en rock-’n-roll, dat verkoopt altijd. Tja, de kranten verkopen niet zo goed meer. Maar wat zou het mooi zijn, verheffend zelfs, als mensen in de kroeg, op verjaardagspartijen en op recepties waar sport ter sprake komt een verslag met de naam van de auteur aan zouden halen waarin de esthetiek, de tactiek en de mystiek van de sport wordt besproken.

Sport is meer dan entertainment. Het is meer dan bijzaak. Sport gaat dieper dan de sportjournalist wil doen geloven.

Guus van Holland is oud-sportjournalist van NRC Handelsblad.