Speelbal en luistervink

De Duitse schrijver van Irakese afkomst Sherko Fatah stort zijn personages in de draaikolk van de geschiedenis. Zoals Anwar, Irakees bij de Waffen-SS.

German Füher Adolf Hitler and Grand Mufti of Jerusalem Mohammad Amin Al-Husseini meet in Berlin, 30 November 1941. A Palestinian nationalist and a Muslim leader in Palestine and Egypt, Al-Husseini was one of the instigator of the Great Arab Revolt of 1936. In 1937 he took refuge in Nazi Germany and helped recruit Muslims for the Waffen-SS. The Grand Mufti established close contacts with Bosnian and Albanian in order to integrate Bosnian Muslims into several divisions of the Waffen SS and other units. The largest was the 13th Handschar division of 21,065 men which conducted operations against Communist partisans in the Balkans from February 1944. After the Second World War, Al-Husseini was sentenced by the Yugoslav Supreme Military Court to three years imprisonment and two years of deprivation of civil rights as convicted war criminal. He died in Beirut, Lebanon in 1974. AFP PHOTO AFP

Sherko Fatah: Ein weisses Land. Luchterhand Literatur Verlag, 478 blz. €22,– De vertaling verschijnt volgend jaar bij Cossee.

Hij voelt zich overbodig, ja zelfs vaak waardeloos. De jonge Anwar is een niemand en wil graag iemand worden, dus klampt hij zich aan leiders vast. Dondert niet waar zij voor staan, als ze maar sterk zijn. Zijn opportunisme brengt Anwar geen geluk. Hij blijft een nietig wezen, een speelbal van de geschiedenis.

Sherko Fatah, zijn schepper, heeft een zwak voor zulke dubieuze helden. Neem Kerim uit zijn roman Das dunkle Schiff (2008). Die arme ziel uit Noord-Irak wordt door islamisten ontvoerd en heropgevoed, zodat hij al spoedig misdaden in naam van Allah begaat. Als hij erin slaagt te vluchten, straffen de strijders hem af.

Anwar is de held van Fatah’s nieuwe roman Ein weisses Land en net als Kerim krijgt hij van de schrijver geen enkele kans om zijn lot in eigen hand te nemen. In 1921 komt hij in Bagdad ter wereld. Zijn moeder sterft bij zijn geboorte, zijn vader, een eenvoudig man, staat ver van hem af. De verweesde Anwar haat de sjofelheid om hem heen. Via zijn joodse vriend Ezra leert hij een rijkere wereld kennen, een wereld met meer glans. By the way: Anwar is islamitisch. En de verhouding tussen joden en islamieten is een van de hoofdthema’s van het boek, net als de relatie tussen de Irakese jodenhaat en het antisemitisme van de Duitse nazi’s.

Fatah (1964), een Duitser van Irakese afkomst, legt een verborgen aspect van de wereldgeschiedenis bloot. En zoals de schrijver laag voor laag afpelt om bij de kern te komen, zo daalt Anwar in zijn geheugen af om de blinde vlek te vinden die hij begraven had. Het boek begint met een raamvertelling die zich in de jaren vijftig afspeelt. Anwar is dan bode bij een Duitse arts. Ineens herkennen de twee elkaar. En ze schrikken. Want ze delen een vreselijk geheim. Ze hebben dingen gedaan, aan het eind van de oorlog, in Europa, die onmenselijk waren.

Maar eigenlijk haalt Anwar vóór de oorlog ook al nare streken uit. In zijn ijver om steeds met de sterkste partij mee te liften ontwikkelt hij zich tot een verrader. Van Ezra. En van Malik, de blinde roverhoofdman. Malik leert Anwar de fijne kneepjes van het boevenvak en algauw breken de twee bij Ezra in. De leerling heeft zijn meester in de val gelokt: de inbraak is slechts een voorwendsel om Malik te vermoorden.

Anwar doet dit in opdracht van zijn nieuwe meester, de fascist Nidal. En die geeft Anwar door aan een nog machtiger man. De grootmoefti van Jeruzalem is in Bagdad aangekomen. Hij heeft een dringende missie: zijn stad en de hele Arabische wereld wil hij van joodse elementen ontdoen. Steun vindt hij niet alleen bij de fascisten maar ook bij de nationalisten, die in hun strijd tegen de Britse bezetters tegelijk de vermeende vriendjes van die bezetters, de joden, een lesje willen leren. De grootmoefti zoekt ook samenwerking met het Groot-Duitse Rijk. En zo, als bewaker van zijn heilige heer, belandt Anwar in Berlijn.

Daar beluistert hij belangrijke gesprekken – de Duitse taal beheerst hij al, dat scheelt. Een beetje geforceerd zijn die sleutelgatscènes wel. Je vraagt je af waarom zo’n onverschillige knaap de moeite neemt om, bijvoorbeeld, het onderhoud van de grootmoefti met Reichsführer Heinrich Himmler zo gedetailleerd weer te geven. Anderzijds: het is juist Anwars immoraliteit die hem tot een onvooringenomen reporter maakt. Een reporter die, zelf een schurk, de schurkachtigheid van anderen blootlegt door niet te oordelen. Nobele woorden omhullen een zieke kern: beleefd verzekert Himmler de grootmoefti ervan dat er ‘in het grote plan’ beslist ‘ook een plaats voor de hoop en dromen van de muzelmannen’ is. Die moeten dan wel bereid zijn om offers te brengen… Dus stuurt de grootmoefti zijn dienaar Anwar naar het front.

Hij komt in het Ossturkestanische Regiment van de Waffen-SS. Samen met Adzjerbeidzjanen, Tadzjieken en andere moslims moet Anwar in het oosten van Europa het oprukkende Rode Leger vernietigen. Wat erop neerkomt dat iederéén vernietigd wordt, elke grijsaard, vrouw of zuigeling die nog een teken van leven geeft in de verder verlaten dorpen. In het witte land is het bitter koud. Maar Anwar geniet van de hitte van de in brand gestoken hutten. Op de terugtocht, in Warschau, krijgt hij het zwaarder te verduren. Zo zwaar dat de dokter hem moet opereren, dezelfde dokter als die uit de raamvertelling. Wat gebeurt er precies?

De Duitsers willen van het islamitische regiment af en laten het op de partizanen los. Eerst op levende partizanen, in kelders van huizen. Dan op dode partizanen, diep in het riool. Anwar verdwijnt onder de grond en het is niet de bedoeling dat hij ooit nog boven komt. Hij moet net zo worden als de anderen, als de partizanen: ‘Dicht tegen elkaar aan, boven en onder, plakten de lijken van mannen en vrouwen aan de tunnelwanden, naakt, zonder ogen en haren, met uitgestrekte armen en grotesk platgedrukt, obsceen verrekt en vervormd.’

Sherko Fatah deed voor deze roman gedegen onderzoek – en niet alleen naar de toedracht van de Opstand van Warschau. Ook in andere passages combineert hij historische precisie met indringende vertelkunst. Door de koelheid van zijn verteller bereikt hij een realisme dat soms in schier ondraaglijk hyperrealisme overgaat. Anwars gebrek aan medelijden heeft als nadeel dat het voor de lezer ook moeilijk is om medelijden met hém te hebben. Het voordeel: Fatah gaat in zijn oorlogsbeschrijvingen verder, veel verder, dan sentimentele Duitse auteurs als Wolfgang Borchert of good old Heinrich Böll. Het gewaagde thema van de Irakese jodenhaat komt daar nog eens bij.

Na de oorlog, weer in Bagdad, ontmoet Anwar Ezra nog één keer. ‘Je bent een dode man’, zegt de oude vriend kokhalzend. En hij stapt in het vliegtuig, om Irak voor altijd te verlaten. Zijn nieuwe land heet Israël.

    • Anneriek de Jong