Schenk bij, eet op, dans door

Geen boek is meer van deze tijd dan The Great Gatsby (1925), Scott Fitzgeralds grote Amerikaanse roman over een nouveau riche die wordt ingehaald door zijn schimmige verleden. Ter opluistering van een terechte revival wordt het boek op 21 januari bediscussieerd in de NRC Leesclub Live.

A copy of "The Great Gatsby" by F. Scott Fitzgerald from 1925, part of the Annette Campbell-White Collection, is estimated to fetch up to 70,000 pounds during a Sotheby's London auction on June 7, 2007. California money manager Annette Campbell-White, who has launched about $500 million of medical funds, is selling her book collection at Sotheby's as part of "The Modern Movement" sale, with some volumes priced at 10 times their cost. Source: Sotheby's via Bloomberg News. VIA BLOOMBERG NEWS

aten we bij het slot beginnen. De titelheld is dood en begraven, ‘het feest is voorbij’, en de verteller van het verhaal staat op het punt terug te keren naar het Midden- Westen. Voor het laatst loopt hij langs het enorme zomerhuis van zijn vermoorde buurman Jay Gatz, alias The Great Gatsby. En mijmerend in het maanlicht op het strand van het fictieve plaatsje West Egg op Long Island wordt hij zich naar eigen zeggen geleidelijk bewust ‘van dit oude eiland hier dat zich eens in al zijn weligheid aan de ogen van Nederlandse zeelieden had ontvouwen – een frisse groene borst van de Nieuwe Wereld. De verdwenen bomen […] hadden eens lispelend ingespeeld op de laatste en meest verheven droom van alle van de mens; voor een vluchtig magisch ogenblik moet de mens, bij het aanschouwen van dit continent, zijn adem ingehouden hebben […], voor de laatste keer in de geschiedenis geconfronteerd met iets dat evenredig was aan zijn vermogen tot verwondering’ (vert. Susan Janssen).

Een meesterlijke passage, nog indrukwekkender in het geciseleerde Engels van F. Scott Fitzgerald (1896-1940), gevolgd door de beroemde slotzinnen over toekomstdromen die ons altijd weer ontglippen en het verleden dat ons blijft inhalen. Ik herinner me hoe die laatste pagina van The Great Gatsby werd voorgelezen aan het begin van een college ‘Studies in American Literature and Society’, en hoe de docent ‘deconstrueerde’ wat voor een seksistisch en etnocentrisch wereldbeeld erachter schuilging. Wat nou ‘frisse groene borst’? Waarom alweer de mythe van virgin land en van het ongerepte paradijs? Veegde Fitzgerald hier de oorspronkelijke bewoners van Amerika niet gewoon onder het groene tapijt?

Hoge bomen vangen veel wind. The Great Gatsby staat bekend als de ultieme Great American Novel; een tijdsbeeld van Amerika in The Jazz Age, een roman die gaat over de Amerikaanse Droom en vooral over een hoofdpersoon die hardhandig met de werkelijkheid wordt geconfronteerd. En dus is het boek sinds zijn verschijning in 1925 bediscussieerd en gekritiseerd – door lezers die zich ergerden aan Fitzgeralds sentimentaliteit, aan zijn fascinatie voor rijkdom, of aan zijn niet al te verholen antisemitisme, door academici die er de theorieën van Marx, Freud en Derrida op loslieten; en door biografen die in het tragische lot van de drankzuchtige, feestbeluste en stinkend rijke personages uit de roman een weer- of voorafspiegeling zagen van het leven van de auteur.

Want ja, de carrière van Francis Scott Key Fitzgerald, de jongen uit Minnesota die studeerde in Princeton en rijk werd met zijn licht-autobiografische romandebuut This Side of Paradise (1920), is net als The Great Gatsby symbolisch voor de Jazz Age: grote verwachtingen, ongebreideld hedonisme en daarna de Grote Depressie. Samen met zijn vrouw Zelda (aan wie The Great Gatsby ‘once again’ is opgedragen) leidde hij een extravagant societyleven in New York en aan de Franse Rivièra, totdat de geestelijke problemen van Zelda en zijn eigen alcoholisme – beide vereeuwigd in de autobiografische roman Tender Is the Night – het onmogelijk maakten. In de tussentijd schreef hij niet alleen tientallen verhalen over de keerzijde van de Gay Twenties (waaronder de roman The Beautiful and Damned, over een niet te stuiten dronkaard) maar ook scenario’s voor de filmindustrie in Hollywood. In 1939 begon hij aan een roman over een filmbaas die zich doodwerkt, The Last Tycoon, maar hij stierf zelf aan een hartaanval voordat hij die kon voltooien.

The Great Gatsby, Fitzgeralds derde roman, is het verhaal van de nouveau riche Jay Gatsby, die niet kan ontsnappen aan zijn (schimmige) verleden. Het is ook het verslag van een ongelijkwaardige vriendschap (tussen Gatsby en zijn buurman op Long Island, de hopeloos naïeve ik-figuur Nick Carraway), én een Shakespeareaanse tragedie over jaloezie en gefnuikte illusies. Gatsby moet zijn pogingen om – met behulp van zijn nieuw verworven status – zijn getrouwde jeugdvriendin Daisy voor zich te winnen, met de dood bekopen. Hij is des te tragischer omdat de oppervlakkige Daisy zijn inspanningen niet waard is – hoewel Nick Carraway suggereert dat het misschien niet helemaal Daisy’s schuld is dat ze niet aan Gatsby’s dromen kan beantwoorden, ‘vanwege de immense vitaliteit van zijn illusies.’ Gatsby is volgens Carraway ontsproten ‘aan zijn platonische conceptie van zichzelf’, maar dat geldt ook voor het obscure object van zijn verlangen.

Aan het eind van de roman concludeert Nick ‘dat dit toch een verhaal over het Westen is geweest – Tom [de rijke man van Daisy] en Gatsby, Daisy en [haar vriendin] Jordan en ik, we kwamen allemaal uit het Westen, en misschien hadden we een of ander subtiel gebrek met elkaar gemeen waardoor we ons niet aan het leven aan de oostkust konden aanpassen.’ Er wordt wel gezegd dat Fitzgerald in The Great Gatsby heeft geprobeerd om het grote thema van zijn voorganger Henry James – de botsing tussen het onschuldige westen en het corrupte oosten – opnieuw vorm te geven. Op het moment dat zijn personages de Midwest verlaten, verliezen ze hun onschuld, en uiteindelijk heeft alleen Nick nog een toekomst, want hij gaat terug naar zijn geboortegrond. Over Gatsby heeft de verteller dan al een tiental pagina’s eerder opgemerkt dat hij ‘het gevoel [moet] hebben gehad dat hij de oude warme wereld had verloren en voor het te lang in leven houden van één droom een hoge prijs had betaald.’

‘Trimalchio at West Egg’ was een van de vele werktitels van The Great Gatsby, en het is niet moeilijk te begrijpen waarom. Net als de Romeinse vrijgelatene Trimalchio, uit Petronius’ Satyricon (ca 65 nC), is de voormalige dranksmokkelaar en oplichter James Gatz zo rijk dat hij niet meer weet wat hij met zijn geld moet doen. Bovendien heeft hij te weinig smaak om zich bij de oude rijken (waartoe Tom en Daisy behoren) te kunnen voegen. Zijn huis is een protserig Frans château, zijn auto is een Hummer avant la lettre, zijn feesten kenmerken zich alleen maar door absurde luxe, zijn pak is roze en als hij indruk wil maken op Daisy spreidt hij trots zijn stapels Engelse overhemden voor haar uit – in een even gênante als aandoenlijke scène. Wie schreef er ook alweer dat zijn bijnaam, de Grote Gatsby, erop wijst dat hij meer een circusachtige showman is dan een verantwoordelijk aspirantlid van de aristocratie?

Gatsby gaat over geld. Wat Gatsby zegt over Daisy – ‘Haar stem is vol geld’ – is ook van toepassing op de roman. Dat er op diverse plaatsen in de wereld sprake is van een kleine Gatsby-revival – nieuwe uitgaves, een op stapel staande verfilming door Baz ‘Moulin Rouge’ Luhrmann, uitverkiezing voor de NRC Leesclub Live – zal dan ook niet alleen te danken zijn aan het feit dat de rechten op het werk van Fitzgerald vorig jaar vrij kwamen. De onverantwoordelijke levensstijl van de superrijken die in The Great Gatsby aan de kaak wordt gesteld – schenk bij, eet op, dans door, laat het breed hangen – is helemaal van deze tijd. En het kleine beetje moraal dat Fitzgerald, of liever Nick Carraway, aan zijn verhaal meegeeft klinkt de toeschouwers van de huidige bankencrisis maar al te bekend in de oren: ‘ze maakten dingen en mensen kapot en trokken zich dan weer terug in hun geld of in hun onmetelijke onachtzaamheid […] en lieten andere mensen de troep opruimen die ze hadden gemaakt…’