Opportunistische excuses Rawagede met nare bijsmaak

Beetje laat, die excuses voor de massamoorden op Java in 1949. De staat wist allang wat de feiten waren, maar koos ervoor om deze feiten via rechtszaken te verdoezelen, schrijft Graa Boomsma.

De Nederlandse staat heeft eindelijk excuses aangeboden voor het bloedbad dat zijn dienstplichtige leger op 9 december 1947 aanrichtte in Rawagede (nu Balongsari) op Java. Deze militaire moordpartij noemen de kranten een „incident” of een „tragedie”, zoals de koloniale oorlog om ‘ons’ Indië jarenlang eufemistisch „politionele acties” heetten. Maar daar, rond de evenaar, voerde Nederland tussen 1946 en 1950 een oorlog die naar schatting tweehonderdduizend Indonesiërs het leven kostte.

Waarom komen die verontschuldigingen nu pas, nu de feiten al tientallen jaren bekend zijn? Rawagede kwam al ter sprake in de zogenoemde Excessennota uit 1969 – ze gebruikten liever het bagatelliserende ‘excessen’ dan het meer ruiterlijke ‘oorlogsmisdaden’.

Is de regering dan tot inkeer gekomen? Is er sprake van een betekenisvolle mentaliteitsverandering en een andere blik op onze koloniale geschiedenis? Welnee – ze biedt excuses aan voor één geval en niet voor alle bloedbaden die haar leger aanrichtte op Java en elders in de Gordel van Smaragd. Het is een veel te bescheiden gebaar, een valse manoeuvre; principeloze symboolpolitiek die voor de zoveelste keer verdoezelt wat er écht aan de hand was.

Nederland pleegde tussen 1946 en 1950 systematisch oorlogsmisdaden. Multatuli wist het al in 1860 – het Nederlandse leger is door de desa getrokken, en dus staat de desa in brand. In NRC Handelsblad van 9 december beschrijft Emilie van Outeren in het artikel ‘TV-uitzending was cruciaal voor deze erkenning’ hoe Joop Hueting in een Achter het Nieuws-uitzending in 1969 de vele (standrechtelijke) executies en moordpartijen vergeleek met de razzia op de mannelijke bewoners van Putten in 1944. Indonesische krijgsgevangenen werden zogenaamd losgelaten („Ga jij maar pissen in de kali”) en kregen vervolgens een kogel in de rug. Deze schokkende verhalen werden hem door de meeste Indië-veteranen – die nog steeds liever zwijgen dan spreken – niet in dank afgenomen.

In 1992 zei ik – mijn vader heeft gevochten in Indië – tijdens een interview, naar aanleiding van mijn Indiëroman De laatste tyfoon: „Kort na de oorlog schreven de communisten: ‘Maak van onze jongens geen SS’ers.’ Ik denk dat dat weerspiegelt wat aan de hand was. Ze waren geen SS’ers, nee, ook al konden ze door de dingen die ze deden er wel degelijk mee vergeleken worden. Maar ze werden ertoe gedreven.”

Zonder dat ik me van iets kwaads bewust was, werd ik in oktober 1993 gedagvaard en gesommeerd naar de rechtbank in Leeuwarden te komen. In deze rechtbank gaf de officier van justitie, advocaat-generaal P. Roelse – die een militaire achtergrond had – mij op autoritaire toon college over de historische betekenis van de SS, alsof ik een naïeve schooljongen was.

Vervolgens deed de Staat der Nederlanden mij twee processen aan – op 26 mei 1994, hoger beroep op 12 januari 2005 – wegens smaad en belediging van Indiëveteranen. Deze twee strafzaken kostten de staat zes ton en mij honderddertigduizend gulden. Het resultaat was twee keer vrijspraak en een lawine aan publiciteit.

Wat kon ik tijdens deze strafzaken zeggen? Ik moest het met mijn advocaat Herman Doeleman opnemen tegen de staat, die nog lang niet toe was aan welke excuses dan ook. Het draaide om een verdoezeld verleden. De geschiedenis, zei ik tijdens mijn laatste woord voor de rechtbank in Groningen, is een opeenhoping van puin. Wie de voortwoekerende vergeetachtigheid, desinteresse of verdringing van beschamende perioden uit de eigen historie wil bestrijden, mag geen blad voor de mond nemen. Mensen gaan met lastige episoden uit hun nationale verleden vaak om als met radioactief afval waarvoor nog geen veilige opbergplaats is gevonden, schreef Ian Buruma in Het loon van de schuld. Velen willen dat radioactieve puin van gisteren stiekem begraven, maar het verleden blijft actief, woekert door en barst dan naar buiten. In 2011 gebeurde dit voor de zoveelste keer.

Niet ik had in 1994 en 1995 in de beklaagdenbank moeten zitten, maar de Staat der Nederlanden, die nimmer de politici en de generaals van toen ter verantwoording heeft willen roepen, laat staan dat hij hen heeft vervolgd. De doofpot bleef het uitgangspunt. Ook nu weer gaat het over een incident, om een deel van het hele verhaal. En hier te lande zegeviert de doofpot steeds over het open vuur…, dichtte Lucebert al in 1950.

Gelukkig zal de staat zich anno 2011 wel twee keer bedenken voordat hij een aanklacht wegens smaad of belediging indient tegen een schrijver. Het Europese Hof heeft keer op keer gezegd dat een wettelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting ook noodzakelijk moet zijn. Daarom heeft het Hof vastgesteld dat de vrijheid van meningsuiting in een democratie ook bestaat om ideeën en meningen te publiceren die kwetsen, schokken of verontrusting zaaien – offend, shock and disturb.

De opportunistische excuses, vierenzestig jaar later, van de Nederlandse regering voor de Rawagedemassamoord roepen een wrange bijsmaak bij mij op.

Graa Boomsma is schrijver, onder meer van de Indiëroman De laatste tyfoon. Tegenwoordig is hij leraar Nederlands op het Rijnlands Lyceum Sassenheim, waarvan hij verslag deed in het boek Uit de school. Ook is hij medewerker van weekblad De Groene Amsterdammer.

    • Graa Boomsma