Liever Marx dan Mohammed?

Het shi’isme, onlangs weer in het nieuws door aanslagen op shi’itische doelwitten in Afghanistan, is een gedicht – schrijft literatuurwetenschapper Hamid Dabashi in zijn overzichtswerk. Maar hoe zit het met de politieke kant van deze stroming?

Turkish Shiite women with chains take part in a religious procession held for Ashura in Istanbul on December 5, 2011. Ashura commemorates the killing of Imam Hussein, a grandson of the Prophet Mohammed, by armies of the caliph Yazid in 680 AD. Tradition holds that the revered imam was decapitated and his body mutilated in the Battle of Karbala. AFP PHOTO/ MUSTAFA OZER AFP

Hamid Dabashi: Shi’ism. A Religion of Protest. Harvard University Press, 413 blz., 27,–

Begin december werd de wereld opgeschrikt door een reeks nieuwe bomaanslagen in Afghanistan en Irak. De doelen waren specifiek shi’itische pelgrims en moskeeën, en ook het tijdstip was van een symbolisch anti-shi’itisch karakter: de aanslagen vielen op of rond Ashura, de tiende dag van de heilige maand Muharram, voor shi’ieten de belangrijkste dag van het jaar.

Is dit slechts de zoveelste uiting van een eeuwenoude sektarische rivaliteit tussen soennieten en shi’ieten, of is er hier iets nieuws aan de hand? Een antwoord op zulke en andere vragen mag je verwachten in Hamid Dabashi’s ambitieuze Shi’ism: A Religion of Protest. Door de uitgever wordt het enthousiast aangeprezen als nieuw standaardwerk.

Het is op zijn minst een originele en vernieuwende studie. Dabashi, hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap en Perzische studies aan Columbia University in New York, weigert het shi’isme uitsluitend in theologische termen te bezien. ‘Het shi’isme is een gedicht, een elegie, een lofzang, een epos,’ schrijft hij wat hoogdravend. Hij beschouwt verzet tegen onrecht als de duurzame kern van de shi’itische islam, niet alleen in religieus opzicht, maar ook in politieke en artistieke zin. Volgens hem is niet zozeer de verering van Mohammeds neef Ali kenmerkend voor het shi’isme, maar veeleer de tragedie van Kerbala, een stad ten zuidwesten van Bagdad. Daar werd op Ashura, de tiende dag van de maand Muharram in het jaar 680 een shi’itisch legertje, geleid door imam Hussein, in de pan gehakt. In de shi’itische heilsleer en rituelen heeft dit zelfverkozen martelaarschap een moeilijk te overschatten betekenis gekregen. Jaarlijks vieren shi’ieten Ashurarituelen ter herdenking van de tragedie van Kerbala, waarin ze collectief boete doen voor hun historische falen tegenover hun leiders. Vooral bij mannen leidt dat tot bloedige vormen van zelfkastijding, wat het emotionele schokeffect van het ritueel alleen maar vergroot.

Tegenspoed

In de Ashurarituelen zitten tegenspoed en boete dus ingebakken. Volgens Dabashi vaart het shi’isme wel bij zulke tegenspoed: wanneer het aan de macht is, schrijft hij in een duidelijke verwijzing naar de hedendaagse islamitische republiek Iran, mist het legitimiteit, gezag en durf. Hij benadrukt dat het shi’isme geen sektarische beweging is of zou moeten zijn, maar eerder de ‘verborgen ziel’ van de islam als geheel: het is, schrijft hij, de ‘roep om vrijheid in een wereld die met zichzelf in strijd is’.

Het shi’isme als een islamitische Tegenpartij of PVV: dat is een fascinerend perspectief. Dabashi is beter in staat om het te vertellen dan menig ander. Zijn expertise reikt van middeleeuwse filosofen tot hedendaagse filmregisseurs, en daardoor geeft Shi’ism je een zeldzaam inzicht in de specifiek shi’itische achtergronden van diverse hedendaagse Iraanse kunstuitingen. Zodoende lees je hier, anders dan in de meeste inleidingen op het shi’isme, minder over Khomeiny dan over filmmaker Kiarostami. Die insteek is niet alleen verfrissend, ze is ook overduidelijk een politiek statement.

Te lang, schrijft Dabashi, is ons beeld van de shi’itische islam bepaald door enerzijds shi’itische schriftgeleerden en anderzijds westerse islamwetenschappers. Beide stellen de shi’itische islam te eenduidig voor als een sektarische theologische beweging, en te weinig als een kosmopolitische culturele realiteit. Die is ze echter wel degelijk geweest, met name in de 17de eeuw. Toen ontstond in het Perzische Safaviedenrijk een ware shi’itische Renaissance, waarin kunst, architectuur en filosofie opbloeiden. Uit Safavidisch Iran, schrijft Dabashi, had zich een verlichte, kosmopolitische en universeel humanistische shi’itische islam kunnen ontwikkelen; maar deze ontwikkeling werd vanaf de 18de eeuw in de kiem gesmoord, door Afghaanse veroveraars en Europees kolonialisme. In Iran, betoogt hij, was de moderniteit koloniaal getint, waardoor het kosmopolitische en humanistische potentieel van de shi’a teloorging.

Al benadrukt Dabashi dat kosmopolitische karakter van de shi’a, hij heeft het vooral over Iraanse ontwikkelingen; je leest maar weinig over Irak en Libanon. Nergens vermeldt hij bijvoorbeeld Mohammed Baqir al-Sadr, de oom van de hedendaagse radicale shi’itische leider Muqtada al-Sadr en de belangrijkste shi’itische vernieuwer van 20ste-eeuws Irak. Nog meer mis je een bespreking van de shi’ieten in Pakistan, hoewel het hier was dat de sektarische tegenstellingen tussen soennieten en shi’ieten nieuwe, steeds gewelddadiger vormen aannamen. In de jaren negentig ontploften hier geregeld over en weer bommen in soennitische en shi’itische moskeeën. Dat was zelfs tijdens de burgeroorlog in Libanon (1975-1991) niet gebeurd. Deze nieuwe radicalisering, waarvan al-Qaeda het zichtbaarste voorbeeld is, was een rechtstreeks gevolg van de aanhoudende oorlog in Afghanistan, waarin Pakistan diep was verwikkeld.

Belangrijker dan zulke – deels onvermijdelijke – omissies is Dabashi’s poging het shi’isme te herleiden tot een onveranderlijke voorstelling van protest, revolte en martelaarschap. Dat is iets te kort door de bocht: eeuwenlang werden de meeste shi’itische stromingen juist gekenmerkt door de afwezigheid van politieke aspiraties, en door berusting in een onrechtvaardige wereldorde die pas aan het eind der tijden zou worden opgeheven.

Ideologie

De revolutionaire politieke islam is een relatief recent verschijnsel. In de soennitische wereld was het vooral de Egyptenaar Sayyid Qutb (1906-1966) die de islam van een ritualistisch geloof omvormde tot een revolutionaire politieke ideologie. In de shi’itische wereld werd deze omvorming tot stand gebracht door Ali Shari’ati (1933-1977) en ayatollah Khomeiny (1902-1989). Shari’ati vormde het shi’isme om tot een revolutionaire ‘religie van de onderdrukten’, en daarmee tot een politieke ideologie die moest wedijveren met leninisme en maoïsme. Zijn referentiekader bestond uit auteurs als Marx, Lenin, Mao, Sartre en vooral Frantz Fanon. Diens revolutionaire anti-koloniale pamflet De verworpenen der aarde werd door Shari’ati in het Perzisch vertaald. Met zijn hedendaagse marxistische lezing van de shi’a verwierf Shari’ati veel aanhang onder jongeren in de grote Iraanse steden, die meer interesse hadden in Marx dan in Mohammed.

De vernieuwingen van Ayatollah Khomeiny voerden in een heel andere richting dan Shariati’s ideeën: het was Khomeiny die de shi’itische theologie omvormde tot een politieke theorie, waarbij – voor het eerst in de geschiedenis – de wereldse macht aan de shi’itische clerus werd toebedeeld. Volgens hem dienden de schriftgeleerden over het volk te waken als een voogd over onmondige kinderen. Khomeiny’s ideeën waren en zijn in Iran tot op vandaag omstreden – ook onder de schriftgeleerden zelf.

Dabashi heeft iets te weinig oog voor het nieuwe en omstreden karakter van zulke revolutionaire politieke lezingen. Daardoor lees je bij hem ook niet dat de revolutionaire politieke islam zijn hoogste bloei inmiddels alweer achter zich heeft liggen. Het duidelijkst is dat te zien aan de Arabische lente, waarin de klassieke revolutionaire islamitische ideologieën geen rol van belang meer spelen. De Moslimbroeders en Salafisten die onlangs de eerste fase van de verkiezingen in Egypte wonnen, zijn eerder conservatief dan revolutionair; ze zijn bovendien eerder rivalen dan bondgenoten, en weten dat ze in een pluralistisch bestel zullen moeten samenwerken met seculiere krachten.

De recente aanslagen in Afghanistan zijn dan ook geen symbool van een duurzame en gewelddadige sektarische haat tussen soennieten en shi’ieten, ze zijn het werk van een steeds kleiner wordende, maar nog altijd luidruchtige minderheid.

    • Michiel Leezenberg