'Kijk over een jaar nog maar eens of ze over me praten'

Aan hiphopgroep Das Racist kleeft dezelfde afgestomptheid die je vaker ziet in het genre. „We zijn serieus, maar tegelijk doen we ook maar wat.”

Rapper Himanshu Suri (alias ‘Heems’) trad deze week op in Duitsland en moest met veel moeite de naam van zijn rapgroep Das Racist uitleggen aan de douane. Die naam is een verbastering van ‘that’s racist’, een kreet die de rapper met groepsgenoten Kool A.D. en Dap richting de televisie slingert als daar volgens hen iets niet door de beugel kan.

Ras is een belangrijk thema voor de internetsensatie, bestaande uit twee Amerikaanse Indiërs en een half-Italiaanse Afro-Cubaan. De New Yorkse groep viel op met de videoclip bij hun nummer Michael Jackson, dat gezien kan worden als een parodie op Jacksons clip bij Black or White. „We zijn drie bruine jongens die rappen in een land waar de rassendialoog tussen zwart en wit wordt gevoerd”, vertelt Suri vanuit Berlijn.

Hij benadrukt dat Aziaten en latino’s in de Verenigde Staten minder goed vertegenwoordigd zijn in het openbare debat, „onder meer doordat onder hen veel illegalen zijn. We willen onze mensen laten zien in de popcultuur, op tv en in tijdschriften.” De Indiase achtergrond van Das Racist is in de muziek terug te horen: bijvoorbeeld met ritmes en melodieën die hun hiphopbeats net een andere timing geven. Suri: „Ik heb thuis meer dan 20.000 cassettes met Indiase muziek.”

Het gaat de 26-jarige rapper er vooral om zichtbaar te zijn. In de hiphop, een genre dat als een megafoon heeft gewerkt voor de zwarte gemeenschap, benoemt hij het thema nauwelijks. Suri: „Afro-Amerikanen hebben een heel andere geschiedenis; Indiërs werden hierheen gehaald om met de Russen te concurreren. Op mijn soloplaat wil ik wel rappen over mijn moeder die boodschappen moest inpakken maar als Das Racist willen we niemand isoleren.”

In hun teksten benadrukken de rappers juist het belachelijke. De reden die de rapper geeft voor zijn muzikale carrière, is dan ook: „Ik verveelde me en ik was met wat mensen die muziek maakten.” Zijn groep maakt onderdeel uit van een nieuwe lichting rapacts voor wie het idioom van de straatcultuur en platencontracten niet tot het eigen universum behoren. Das Racist bracht zijn eigen album uit en „in het begin deden we niets aan promotie”, aldus Suri. „We maakten liedjes en zetten die op MySpace. En een van die liedjes was Combination Pizza Hut And Taco Bell.”

Het was een nummer met een repeterende onzintekst, dat internet over stuiterde. Op de nieuwe plaat Relax verzanden de teksten vaak nog verder in gewauwel. En in het nieuwe Brand New Dance lijken de rappers in de clip om te vallen van verveling. De groep straalt hetzelfde soort afgestomptheid uit als Odd Future, de eveneens op eigen houtje via internet opgekomen succesgroep van 2011.

Suri: „Dat verveelde heeft veel te maken met internet, denk ik. Het kost veel minder om aan een project te beginnen dan voor de generaties voor ons, en iedereen luistert naar alles op dit moment. We zijn serieus, maar tegelijk doen we ook maar wat. Door internet wil nu iedereen van alles tegelijk zijn: schrijver, blogger, artiest, fotograaf. Praat over een jaar met me, en zie of mensen dan nog aan me denken.”

Door de laagdrempeligheid van internet, en het verdwijnen van veel specifieke undergroundlabels, is hiphop in de bovenlaag wel gevarieerder geworden, aldus Suri. „Voorheen moest je een tijdlang kiezen tussen underground en mainstream; tussen ‘it sucks to be poor’ en ‘I’m getting my dick sucked’. Maar ik ben een Indiër, ik wil niet ook nog in de culturele wereld tussen zwart en wit hoeven kiezen.”

Wel behoudt hij zich het recht voor om op te scheppen over luxe. „Ik vind het belachelijk dat een [blanke, red.] rapper als Asher Roth materialisme een probleem in rap noemde, omdat het makkelijk praten is wanneer je met alles bent opgegroeid.” Hij lacht: „Mijn moeder moest drie weken werken voordat ik een trui van Tommy Hillfiger kon kopen; ze zou eisen dat ik over die trui rapte!”

Das Racist treedt zaterdag op tijdens State-X New Forms in het Paard van Troje in Den Haag.

    • Saul van Stapele