In Nederland begon het twee jaar geleden allemaal bij de salesianen

Door de verhalen over seksueel misbruik viel de priester in Nederland van zijn voetstuk. Komt het na twee jaar tot een afronding?

Den Haag 16 december 2011 Presentatie eindrapport Seksueel misbruik minderjarigen in de RK-kerk, door Wim Deetman. foto © Roel Rozenburg

De dag dat de storm in katholiek Nederland opstak was 26 februari 2010. Die vrijdag betichtten drie slachtoffers de salesianen van Don Bosco in internaat Don Rua in ’s-Heerenberg van kindermisbruik in de jaren zestig en zeventig.

Nu, bijna twee jaar later, hebben zich 2.111 slachtoffers van misbruik en mishandeling binnen instellingen van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland gemeld. Ze lieten hun stem horen, vaak na vijftig jaar stilzwijgen.

Na 26 februari werden allerlei nieuwe feiten onthuld. Dat leidde tot het besef dat misbruik tot de jaren tachtig van de vorige eeuw geen incident was, maar een permanent probleem in de Kerk. Vooral in internaten, maar ook in sommige parochies.

De getuigenissen van slachtoffers waren doorgaans aannemelijke en authentieke verhalen, gedetailleerd waar het ging om de omstandigheden. Verklaringen over dezelfde instelling of dader ondersteunden elkaar.

Het misbruik vond plaats in een tijd waarin priesters, en ook religieuzen, op een voetstuk stonden. In katholiek Nederland waren zij de afgezanten van God op aarde.

Dat juist zij misbruik maakten van kinderlijke onschuld en het grenzeloze vertrouwen van kinderen beschaamden, had vaak ernstige gevolgen. Het ene slachtoffer kreeg ‘een krasje’, het andere zag zijn leven geruïneerd. Ze verloren hun vertrouwen in de medemens, hadden problemen met het accepteren van gezag, raakten seksueel op drift of aan de drank, of waren niet in staat om genegenheid te tonen.

De kerkleiding werd niet gespaard in de publicaties. Bisschoppen en oversten hadden misbruikers overgeplaatst waardoor ze opnieuw slachtoffers konden maken. De kerkleiding was ook verantwoordelijk voor de cultuur van het zwijgen. Kardinaal Simonis baarde opzien met zijn uitspraak Wir haben es nicht gewusst: hij had niet geweten van de omvang van het misbruik.

Inmiddels is duidelijk dat in de jaren vijftig en zestig op allerlei plekken in de Kerk bekend was hoe structureel het misbruik was. De communicatie hierover tussen bisdommen, congregaties en ordes was echter minimaal. Dat neemt niet weg dat bisschoppen en oversten bestuurlijk verantwoordelijk zijn. Enkelen kwamen zelf in opspraak.

De eerste reacties van bisdommen, congregaties en ordes waren bemoedigend. In een brief sprak bisschop Gerard de Korte van Groningen over „een zeer donkere bladzijde uit onze kerkelijke geschiedenis”. „Kinderen die juist bij paters, andere priesters en religieuzen veilig zouden moeten zijn, blijken in hun integriteit te zijn aangetast. Dit roept diepe gevoelens van plaatsvervangende schaamte op.”

Daders reageerden verschillend. De een bekende huilend en vroeg om vergiffenis, de ander ontkende dat hij zich vergrepen had. Een derde groep daders wilde wel toegeven dat er „iets” gebeurd was, maar bagatelliseerde de feiten. Slachtoffers verenigden zich en zochten de publiciteit. De verschillende slachtoffergroepen organiseerden zich in de koepel landelijk overleg kerkelijk kindermisbruik.

De publiciteit dwong de kerk tot een breed onderzoek. Daarvoor zocht de kerkleiding contact met CDA’er Wim Deetman. In mei 2010 presenteerde hij zijn voorstel voor een onderzoek. Voordat dat onderzoek kon beginnen, moest de slachtoffers hulp geboden worden, vond Deetman.

Niet alle slachtoffers vonden dat de Kerk zelf opdracht had moeten geven tot een onderzoek. De onafhankelijkheid zou beter gegarandeerd zijn als de overheid het had gedaan, zoals in Ierland.

Deetman zei een „eerlijk en fair” antwoord te willen geven op vragen als: wat zijn de aard, omvang en omstandigheden van het misbruik van kinderen die onder de hoede waren van katholieke geestelijken? Ging het om een structureel probleem? Was er een cultuur van zwijgen? En: welke rol speelde het celibaat?

Kritiek was er op de beperkte onderzoeksopdracht van de commissie. Deetman wilde alleen seksueel misbruik onderzoeken, niet andere misdragingen, zoals fysiek misbruik. Ierse onderzoeken, zoals van de commissies-Ryan en -Murphy, concludeerden dat seksueel misbruik niet los kan worden gezien van fysiek en emotioneel misbruik.

Kritiek was er ook op commissielid Marit Monteiro. Zij werkte jarenlang voor de Konferentie Nederlandse Religieuzen, de opdrachtgever van Deetman. Deetman zag hierin geen probleem.

Nadat de commissie-Deetman benoemd was, veranderde de houding van veel bisdommen, ordes en congregaties. Media ontvingen geen informatie meer en slachtoffers en hun advocaten, die om informatie vroegen, kregen geen antwoord. Slachtoffers, naar wie de zorg volgens Deetman moest uitgaan, konden niet meer rekenen op ruimhartige medewerking.

De afwijzende houding was niet wat Deetman Nederland voorgespiegeld had bij de presentatie van zijn onderzoek. Voor de slachtoffers zouden de deuren open staan, had hij beloofd. De hulp zou beginnen met het verschaffen van informatie. Maar bang voor schadeclaims hielden congregaties en ordes zich schuil en verwezen door naar kerkelijk klachtenbureau Hulp en Recht.

Een tussentijds advies van Deetman in december vorig jaar betrof Hulp en Recht. De hulp aan slachtoffers en de melding en afhandeling van klachten moesten beter en onafhankelijker. Hulp en Recht diende vervangen te worden door een onafhankelijke stichting. Die is er inmiddels.

Ook wees Deetman op de noodzaak van een vergoedingsregeling. Ook die is er, zij het dat de regeling een deel van de slachtoffers uitsluit omdat ze geen bewijs kunnen presenteren. Hoopgevend zijn daarom de mediationtrajecten die slachtoffers samen doorlopen en waarbij congregaties schuld erkennen en overgaan tot vergoeding van de schade waarvoor geen strikt bewijs nodig is. De congregatie die daarmee voorop loopt, is die van de salesianen met wie het vorig jaar allemaal begon.