'Ik herinner me dit helemaal niet. Geestig hoor, die Vroman'

Leo Vroman wilde de 157 gedichten in zijn bundel ‘Daar’ niet selecteren, want dat zou oneerlijk zijn, zegt de 96-jarige schrijver in zijn retirement community in Texas tegen Lucas Ligtenberg. Criticus Guus Middag las Vromans ‘bundel in dagboekvorm’.

In de eetzaal van het bejaardentehuis neemt Leo Vroman (96) zijn bezoeker mee naar de tafel van een medebewoner. ‘Hij zegt dat hij in Amsterdam is geweest en niemand had daar ooit van mij gehoord’, aldus Vroman. De naar schatting zeventigjarige Amerikaan is goedlachs en vriendelijk, maar haalt onmiddellijk bakzeil als we hem aan de tand voelen. Tijdens zijn Europese reis had hij een drie uur durende tussenstop op Schiphol gemaakt. Van enig veldonderzoek naar de bekendheid van Vroman was geen sprake geweest. We hopen dat hij nog eens echt naar Amsterdam gaat en wensen hem een prettige voortzetting van de maaltijd toe. ‘Hij is helemaal niet in Amsterdam geweest’, zegt Vroman licht verontwaardigd. Goed dat dat even is rechtgezet.

Vroman en zijn vrouw Tineke (90) schreven zich in voor retirement community Trinity Terrace in Fort Worth in Texas, toen ze er toevallig gingen kijken met de schoonouders van hun dochter. Leo: „Tineke zei meteen: hier gaan we wonen.” Dat is veertien jaar geleden en het echtpaar woont er naar tevredenheid op de tiende verdieping met elke avond uitzicht op de zonsondergang.

Tineke: „Er waren twee dingen die wij nooit zouden doen: in Amerika gaan wonen en in Texas gaan wonen. En kijk nu eens.” Dan zegt ze: „Als we hier niet waren gaan wonen, hadden we nu misschien niet meer geleefd. Wat denk jij, Leo?” Vroman beaamt dat. Nu woont het echtpaar als Nederlandse, liberale New Yorkers tussen de Republikeinen. Elke ochtend ligt The New York Times op de mat voor het appartement.

Binnen begint het aardig vol te raken en is het zaak om nóg meer spullen, post en paperassen weg te werken of buiten de deur te houden. In het dagelijkse gevecht met de post zit Tineke Vroman met een stapel enveloppen op haar schoot en bekijkt zuchtend allerlei verzoeken om donaties.

Dagboek van gedichten

Leven, doodgaan en de dood zijn terugkerende onderwerpen van gesprek bij de Vromannen. „Ik ben nieuwsgierig naar de dood”, zegt Vroman. Ook in de gedichten van Vroman komt de dood voor in allerlei gedaantes. Afgelopen zomer verscheen de bundel Daar, „een soort dagboek van gedichten”, met, aldus Vroman, „gedichten die ik de afgelopen twee jaar schreef”.

De bundel bevat 157 gedichten. „Dit zijn niet de beste gedichten. Het zijn alle gedichten”, benadrukt Vroman. „Het heeft iets oneerlijks om niet alles op te nemen. Daarom spreek ik ook van een dagboek.” Hij vindt ook dat mensen die dagboeken laten uitgeven daar niet in moeten gaan redigeren en schrappen, maar alles onveranderd moeten uitbrengen. De dood en het einde zijn vaak aanwezig in de regels, impliciet of expliciet. Soms als onderwerp van gesprek, maar ook als alter ego dat naast de dichter staat ‘met mijn afwezigheid gevuld’.

Het gedicht ‘Over een paar’ bijvoorbeeld kijkt vooruit naar de tijd dat er weer andere mensen in het appartement wonen. De boeken en manuscripten zijn verdwenen en op hun plaatsen liggen nu handdoeken en zeepjes die de nieuwe bewoners uit hotels hebben meegenomen.

Bijna nooit is de dood bij Vroman een sombere toestand, altijd weet hij er iets lichtvoetigs in te brengen en niet zelden humor. Gevraagd naar het gedicht ‘Seeotwee’, dat wederom over de dood gaat, zegt Vroman: „Ik herinner me mijn gedichten later niet meer. Dit komt me overigens nog wel bekend voor.” ‘Seeotwee’ gaat over wat een mens nalaat na het cremeren: ‘ik’ en ‘mijzelf’ zijn verdwenen. Wat rest zijn koolstofoxiden en as. „Wel zoekt mijn as/ misschien nog een poos/ bijna hopeloos/ naar wie ik was.”

Wat wil iemand nog die zich met de dood heeft verzoend? Wat is dat ‘Dit nog. Dat nog.’?

Leo: „De ene schoen uit. Misschien ook de andere.”

Tineke: „Ik moet nog van alles opruimen.”

Leo: „Misschien nog even naar mijn email kijken.”

In het lange gedicht ‘Punt’, dat bestaat uit zes genummerde delen, begint het laatste deel met : ‘Zandloper, zoden, zerk en zeis,/ de dood verveelt mij rot.’ Het probleem is hier echter niet de dood die verveelt, maar de ‘ellendige symbolen waar ik de pest aan heb.’ Bij een ander gedicht zegt Vroman: „Ik herinner me dit helemaal niet. Geestig hoor, die Vroman.”

Niet alleen de dood keert telkens terug als thema, ook Nederland en Nederlanders in allerlei gedaanten. Zo weet Vroman dat Nederlanders steeds groter worden. „Als we iemand uit Nederland afhalen van het vliegtuig, kijken we naar lange mensen”, zegt Vroman. „Vooral vrouwen. Het heeft niet te maken met dat wij kleiner worden, want dat is niet zo. Nederlanders worden langer. Tegenwoordig word ik beschreven als een klein mannetje, vroeger had ik een normale lengte. Toen zeiden ze dat niet.”

Heimwee

Denken aan Nederland betekent ook vaak verlangend terugdenken aan vroeger, ook in de gedichten. „Ja”, zegt Vroman. „Liever heimwee dan Holland. Nu trouwens ook in het Engels bekend”, zegt hij er snel achteraan: „I’d rather be homesick than home.” Wie de uitspraak googlet, ziet dat hij wordt toegeschreven aan L. Vroman.

Vroman: „Heimwee is erg prettig. Dan kan ik dingen bedenken die niet meer bestaan. Aan het eind van de Krugerlaan in Gouda kon je onder aan de dijk liggen. Ik geloof niet dat dat nog kan.” De lijn wordt doorgezet en in gedachten ziet Vroman het Elfhoeven restaurant bij de Reeuwijkse Plassen, dat inmiddels is afgebrand. Zijn broer Jaap komt ter sprake. Die had iets verstrooids, zegt Vroman. „Ooit ging hij naar het station om een trein te halen”, vertelt hij, „maar hij was zo vroeg dat hij de vorige net had gemist. Toen ging hij maar weer naar huis.”

Vroman de dichter heeft zelf ook dat soort droge humor. Als zijn tijd in Japan ter sprake komt – in een gevangenkamp gedurende de Tweede Wereldoorlog – zegt Vroman dat hem werd verteld: „Your teeth are in rapid decay. Viel wel mee. Hee, een nieuw gedicht”, zegt hij er meteen achteraan. „Het heet ‘Mijn tanden’.”

De dichter wil ook wel horen of de bezoeker een gedicht misschien minder geslaagd vond. Hij leest het gedicht op bladzijde 81 en zegt: „Niet geweldig, maar het moest er kennelijk uit.”

Vroman werkt alweer aan een volgende dichtbundel. Hij haalt een map vol papieren uit zijn werkkamer. „Ik heb er alweer 77, in drievoud. Opgeslagen op de pc, afgedrukt en gemaild naar mijn redacteur.”

Op het achterplat van Daar staat het gedicht ‘Lieve critici’, waarin de dermatoloog een biopsie neemt van een kleine zwarte plek op de huid van de dichter. Het kan huidkanker zijn, realiseert Vroman zich in het gedicht.

Hoe is het eigenlijk afgelopen met de kleine zwarte plek?

„Negative, zei de dermatoloog.”