Hij is loyaal, geestig en vooral ijdel. Maar als minister was de fut er uit

Het kan na al die maanden van speculatie alleen maar een opluchting voor hem zijn: Piet Hein Donner vertrekt naar de Raad van State. Hij raakte de afgelopen weken steeds geïrriteerder over alle geruchten.

Nederland, Den Haag, 17 juni 2008, Europa Nee, Irl. kamervragen aan de minister president Jan Peter Balkenende , minister van Algemene Zaken over de uitslag van het Ierse referendum t.a.v. het EU-verdrag. ( Nee afwijzing ) Het " Ierse incident " is nu een EU-crisis geworden ( nieuwe EU-verdrag ) het Iers probleem is nu een Europees probleem geworden ( na afloop van deze vragen bespreekt hij het probleem met minister Piet Hein Donner in vak K foto; Peter Hilz

Hier spreekt Donner van Justitie

Ik doe het samen met politie

Schuif die dope maar aan de kant

Want een addict Nederland

Zijn zaken die ik liever niet zie

De Don. De artiestennaam van Piet Hein Donner, die als minister van Justitie in 2006 een rap opnam over softdrugs. Donners hoogtijdagen. Het lied was een ludiek verweer in de strijd over het wietbeleid, gericht tegen toenmalig burgemeester van Maastricht Gerd Leers – met wie Donner afgelopen jaar samen leiding gaf aan het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Het kost grote moeite om die rappende Piet Hein Donner van toen terug te zien in de geïrriteerde minister van Binnenlandse Zaken van de afgelopen weken. Die laatste Donner sprak steeds vaker op hoge toon tegen parlementariërs en pers. Er kon geen grapje af, hij was zo nu en dan zelfs venijnig. Noemde de Tweede Kamer een poppenkast, en afgelopen dinsdag stond hij zelfs aan de microfoon te trekken van PowNews-journalist Rutger Castricum, toen die Donner nog eens sarde met vragen over het vicepresidentschap van de Raad van State.

Het kan na al die maanden van speculatie niet anders dan een opluchting voor hem zijn: Piet Hein Donner vertrekt als minister. Per 1 februari volgend jaar treedt hij aan als vicepresident van de Raad van State. Donner volgt Herman Tjeenk Willink op en krijgt daarmee de dagelijkse leiding over het adviesorgaan van het kabinet én over Nederlands hoogste bestuursrechter.

Elke carrièrestap van Piet Hein Donner lijkt er, achteraf bezien, op gemaakt om op deze plek uit te komen. Zijn gevoel voor politiek, zijn flinke staatsrechtelijke kennis en hier en daar een portie geluk hebben hem geholpen bij deze hoge politieke benoeming.

Zijn afkomst is iets wat Donner niet in eigen hand had, maar die wel altijd in zijn voordeel heeft gewerkt. Jan Pieter Hendrik Donner werd geboren op 20 oktober 1948, als tweede zoon van Andreas Matthias Donner en telg van een gereformeerd juristengeslacht. Vader André gold in zijn tijd als een van de meest gezaghebbende staatsrechtgeleerden van Nederland. Hij was jarenlang rechter aan het Europees Hof van Justitie en werkte mee aan een rapport over de Lockheed-affaire, in opdracht van het kabinet-Den Uyl.

Zíjn vader en Piet Heins opa, Jan Donner, was twee kabinetten lang minister van Justitie en later president van de Hoge Raad. Nog verder terug was het Donners overgrootvader Johannes Hendricus die ervoor heeft gezorgd dat de Tweede Kamerleden nú na de jaarlijkse Troonrede driewerf hoera roepen: hij begon met de uitroep ‘Leve de koningin!’. Dat was in 1897.

Een gymnasiumopleiding, een studie rechten, een lidmaatschap van de Oratorische Vereeniging van studentenvereniging L.A.N.X. én enkele jaren werk als ambtenaar op de ministeries van Economische Zaken en Justitie later, wordt Piet Hein Donner lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Na drie jaar wordt hij daar voorzitter, dat was hij van januari 1993 tot eind 1997. Een bijzondere stap, voor iemand zonder wetenschappelijke achtergrond – zijn CDA-lidmaatschap kwam bij die benoeming goed van pas.

In die tijd heeft Piet Hein Donner als antwoord op de vraag naar zijn politieke ambities eens gezegd dat een ambtenaar niet per se ook een goede minister hoeft te zijn. „Beleid maken en het verkopen, dat zijn twee verschillende zaken.” Toch stapt hij in 2002 in het eerste kabinet-Balkenende, met CDA, VVD en de Lijst Pim Fortuyn. Donner wordt minister van Justitie.

Het kabinet houdt het 87 dagen vol, en had volgens betrokkenen eigenlijk Donners naam moeten dragen in plaats van die van Jan Peter Balkenende. Donner was niet alleen informateur, ook na het aantreden van het kabinet was zijn stem bepalend. Een paar uur nadat de bewindslieden waren beëdigd, diende de eerste rel zich al aan: staatssecretaris van Emancipatie Philomena Bijlhout bleek begin jaren tachtig als Bouterse-aanhanger lid te zijn geweest van een Surinaamse volksmilitie. Balkenende noemde haar positie kwetsbaar, Donner zei dat haar positie onhoudbaar was. Ze trad af.

Ook tijdens de hoogoplopende ruzie tussen de LPF-ministers Heinsbroek en Bomhoff was het Donner die in de ministerraad als eerste de conclusie trok. „Het is toch duidelijk dat de heren Bomhoff en Heinsbroek nu de plicht hebben om onmiddellijk af te treden”, zou Donner hebben gezegd, zo schrijft Eduard Bomhoff in zijn boek Blinde ambitie, over de LPF-tijd.

In het tweede kabinet-Balkenende, vanaf mei 2003, is de LPF vervangen door D66 en is Piet Hein Donner opnieuw minister van Justitie. Zijn ambtenaren liepen toen al met hem weg, zegt iemand die hem in die tijd meemaakte. Ze vinden hem loyaal, geestig en relativerend. Bijvoorbeeld in de toespraken die hij houdt, als iemand afscheid neemt of jarig is. Hij schrijft ze zelf, ’s avonds thuis, en het liefst stopt hij ze vol verwijzingen en grapjes. Bijvoorbeeld als zijn – gereformeerde – secretaresse vijfentwintig jaar in dienst is. „Hij schreef een toespraak vol bijbelse toespelingen. Niemand die het begreep, maar zij zat te glimmen.”

In die jaren komt ook de meeste inhoudelijke discussie los over het beleid dat Donner voert. Kort na de moord op Theo van Gogh in november 2004 komt hij met wetgeving om terrorisme te bestrijden. Donner staat bekend om het belang dat hij hecht aan juridische rechtlijnigheid, maar zijn eigen gelovige achtergrond én oprechte zorgen om de samenleving spelen ook mee. Donner zegt dat hij wil onderzoeken of het wetsartikel tegen godslastering strenger kan worden gebruikt. De vrienden van Theo van Gogh schrijven een open brief tegen zijn idee. „Kort nadat een uitgesproken vertegenwoordiger van het vrije woord is afgeslacht, komt Donner met een initiatief de vrijheid van meningsuiting te beperken. Dat is zeer ongelukkig.”

Dan brandt in oktober 2005 een cellencomplex op luchthaven Schiphol uit. Elf gedetineerden komen om het leven, Donner is verantwoordelijk minister – hij vindt het vreselijk om uiteindelijk op te stappen. Het besluit daartoe neemt hij bijna een jaar na de brand, september 2006, na een zeer kritisch rapport van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid over de brand. Het CDA lijdt schade door zijn aftreden, vlak voor verkiezingen – maar het ergst vond Donner misschien nog wel dat hij zélf zonder politieke verantwoordelijkheid kwam te zitten. „Ik heb hem nog nooit zo somber gezien als in die periode”, zegt een betrokkene.

In volgende kabinetten gaat Donner opnieuw als minister aan het werk. Mede vanwege zijn ijdelheid, zeggen betrokkenen. Justitie ging niet meer, daarom kwam hij in het derde kabinet-Balkenende op Sociale Zaken terecht. En onder Rutte op Binnenlandse Zaken.

Het leek alsof Donner zijn carrière met die latere ministersposten een doorstart gaf, maar achteraf bezien was de fut eruit vanaf het moment dat hij moest aftreden in 2006. Hij maakte zich vorig jaar nog hard voor de totstandkoming van dit kabinet. Ook dat is Donner, zeggen mensen die hem kennen: strijdbaar, loyaal en dus bereid om te knokken voor zijn CDA.

Tijdens zijn ministerschap dit jaar begonnen zijn breedsprakigheid en juridische uitvluchten Kamerleden te irriteren. Hij was star, niet bereid om compromissen te sluiten, zeggen zij. Volgens Donner had de Kamer hem gewoon niet begrépen. In respons herhaalde hij gerust tot acht keer toe zijn argumenten. De laatste weken ging dat steeds vinniger, en leek hij soms zijn vermaarde zelfbeheersing te verliezen. Tja, zeggen collega’s van vroeger, zijn hart ligt nu eenmaal bij het juridische. Als je dan al jaren met andere zaken bezig bent, breekt dat je een keer op.

Hoog tijd dus voor een juridisch inhoudelijke functie. Relatief onzichtbaar voor het grote publiek, maar mét een flink politiek belang – zoals het een echte Donner betaamt.