Het keiharde spel om de smartphone-markt

Apple, Google en grote telefoonfabrikanten bestoken elkaar met claims en verkoopverboden. Inzet van hun patentenoorlog is de lucratieve markt van smartphones en tablet-pc’s. „Dit is een doodlopende weg. Als iedereen elkaar blijft dwarsbomen, kan niemand meer bewegen.”

Mark Lemley grinnikt hardop. Al twee decennia doceert de Amerikaanse hoogleraar patent- en technologierecht, nu aan de universiteit van Stanford in Silicon Valley. „Twintig jaar geleden was dit een obscuur beroep. Maar dankzij de smartphone zijn patentzaken opeens voorpaginanieuws.” 

Die aandacht is begrijpelijk: prominente bedrijven als Apple, Samsung en Google vliegen elkaar publiekelijk in de haren. De smartphone is een populaire gadget waarvan er dit jaar ruim 400 miljoen worden verkocht.

Omdat er sprake is van importverboden, merken consumenten aan den lijve de gevolgen van het juridische steekspel tussen technologiebedrijven. Bijvoorbeeld: Duitse winkels mogen geen tablet-pc van Samsung verkopen, dankzij een (toegewezen) claim van Apple. En straks wellicht geen iPad of iPhone meer, dankzij een claim van Motorola.

Wie de tientallen rechtszaken over en weer probeert te volgen raakt al snel de draad kwijt. Het zijn hoogoplopende conflicten over onooglijk kleine details – bijvoorbeeld de manier waarop een telefoon van de ene ingezoomde foto naar de volgende springt. Of over lastige vragen als: Is een tablet-pc een kopie van een iPad, of is er een generieke tabletvorm waar ook de iPad op lijkt? Nu wordt zelfs een niet-werkend prototype, de Newspaper Tablet uit 1994 uit de mottenballen gehaald als bewijs dat ook Apple zijn inspiratie elders vond.

Patentoorlogen breken doorgaans uit rondom nieuwe uitvindingen. De naaimachine, de gloeilamp van Edison of de halfgeleiderindustrie in de jaren tachtig. Hetzelfde geldt voor de smartphone. Apple-baas Steve Jobs besefte dat toen hij in 2007 de eerste iPhone introduceerde met de woorden „… and boy, have we patented it!”

In een volwassen industrie blijft de patentstrijd meestal buiten de rechtszaal, legt Mark Lemley uit. „Grote bedrijven zeggen tegen elkaar: ik heb patenten, jij hebt patenten, laten we vrienden zijn. Vergelijk het met de Koude Oorlog. We hebben genoeg kernwapens om elkaar te vernietigen, dus hebben we geen reden om ze in te zetten.”

In de smartphone-wereld is die balans er niet. Lemley: „Apple en Microsoft zijn ouder en hebben een beter ontwikkelde patentportfolio dan Google en de telefoonmakers die Android gebruiken. Android is een open platform en Google is nog jong. De laatsten hebben wel degelijk patenten, maar het duurt vijf jaar voordat die goedgekeurd zijn.”

Patentaanvragen nemen zo veel tijd in beslag, omdat ze nauwkeurig onderzocht moeten worden. Het Amerikaanse patentbureau verzocht president Obama al om extra personeel om de enorme stapel wachtende patentaanvragen terug te dringen.

Microsoft maakte al licentieafspraken met makers van Android. Het bedrijf verdient nu meer aan Android dan aan het eigen besturingssysteem, Windows Phone. Apple gaat er harder in en gebruikt zijn patentoverwicht om Samsung en HTC wereldwijd te bestrijden.

Apple wil met name Samsungs concurrent van de iPad uit de markt krijgen, legt Lemley uit: „Als Samsung het apparaat opnieuw moet bouwen of veranderen is dat voordelig voor Apple. Zelfs een tijdelijk oponthoud maakt consumenten zenuwachtig. En het is een pr-praatje: Apple wil uitstralen dat hij het allemaal heeft uitgevonden, terwijl andere partijen er over een jaar niet meer kunnen zijn.”

De balans tussen de patentarsenalen raakte verder uit het lood toen een cluster van Apple, Microsoft en Research in Motion (de maker van de BlackBerry), dit jaar de patentportfolio van telecomberijf Nortel opkocht voor 4,5 miljard dollar (3,5 miljard euro).

Google zag de Nortel-veiling als een samenzwering tegen Android. Terecht, denkt Lemley: „De enige waarde van die samenwerking was dat ze allemaal Google konden dwarsbomen.”

Vervolgens probeerde Google de achterstand in te halen met een bod op de Amerikaanse telefoonfabrikant Motorola. Dat bedrijf maakt telefoons met Android en heeft veel bruikbare patenten op telecomgebied.

‘Google Legal Rocks’ staat er op een schoolbord bij Googles juridische afdeling in Mountain View. Aan het hoofd staat Kent Walker, die nu vijf jaar voor Google werkt. Hij loodste het bedrijf door de rechtzaken over copyright tegen YouTube, leidt de verdediging tegen beschuldigingen van marktbederf en heeft nu ook de patentkwesties rondom Android op zijn bord.

„Silicon Valley had nooit zoveel op met patenten”, zegt Walker. „Nieuwe uitvindingen zijn immers binnen twee jaar vaak achterhaald. Maar in de telecomwereld is dat anders. In een smartphone zitten ruim 250.000 patenten. Stel dat elk van die patenten een cent kost, dan betaal je 2.500 euro voor een telefoon.”

Na het mislukte bod op de Nortel-patenten moet Google’s overname van Motorola de machtsverhoudingen herstellen, zegt Walker. „Google is innovatief, maar onze patenten zijn er nog niet omdat we een jong bedrijf zijn. Die vertraging moeten we overbruggen.”

Het recordbod van 12,5 miljard dollar op Motorola toont aan dat het internetbedrijf zit te springen om juridische munitie. Die is nodig om partners – de telefoonfabrikanten – te beschermen tegen de agressie van Apple. Wijlen Steve Jobs vertelde in zijn biografie dat hij alle miljarden die Apple in kas heeft, wilde gebruiken om Android kapot te maken. Walker: „Voor alle duidelijkheid: Google heeft zelf niemand aangeklaagd in deze patentenoorlog.”

Opvallend is dat Apple en Google nog niet in een onderlinge patentzaak zijn verwikkeld. „Het is niet verstandig om in Silicon Valley concurrenten aan te klagen die ook je klant kunnen zijn”, zegt Walker. Het is geen gentlemens agreement, eerder een afweging van belangen: Apple klaagt liever telefoonmakers aan die minder sterke patenten hebben op softwaregebied. Maar een confrontatie tussen Apple en Google dreigt wel als de overname van Motorola doorgaat, want dat bedrijf heeft nu claims tegen Apple lopen, onder meer in Duitsland.

Het werkt contraproductief als innovatieve bedrijven miljarden moeten investeren in oude technologie, om concurrenten af te weren, vindt Walker. „We zitten nu op een doodlopende weg. In een economie waar iedereen elkaar dwarsboomt kan niemand bewegen. Dan bevriest het systeem.” 

Walker maakt de vergelijking met de browseroorlog. „Toen Netscape, waar ik vroeger werkte, concurreerde met Microsoft kwamen om de haverklap nieuwe versies uit. Maar toen verdween Netscape en deed Microsoft zes jaar lang niets. Pas toen Firefox en Chrome verschenen begonnen browsers weer te concurreren. Ze brachten verbeteringen aan in veiligheid en privacy. Daar wint de consument bij. Er moet een manier zijn om die innovatie in de mobiele industrie op gang te helpen.”

Die manier is er, zegt Mark Lemley. „Dit wordt geen wereld waarin uiteindelijk maar één telefoon te koop is. Alleen moet er heel wat geld van eigenaar wisselen voordat er goede licenties zijn. ”

Voor 2007 waren telefonie en computer grotendeels van elkaar gescheiden werelden. Maar de smartphone is een samensmelting van deze sectoren. Dat betekent dat technologiebedrijven en de telecombedrijven elkaars expertise nu juist nodig hebben.

Er zal een standaardset patenten samengesteld moeten worden voor smartphones, die nieuwkomers op de markt ook kunnen gebruiken. Lemley: „Telefoons lijken toch allemaal op elkaar: een zo groot mogelijk scherm met zo min mogelijk knoppen. Veel standaardisatie zal gericht zijn op het aanraakscherm.”

De rechtszaken zijn ondertussen een kwestie van uithoudingsvermogen: welk bedrijf heeft de langste adem om de torenhoge advocatenrekeningen te blijven betalen en bedingt de gunstigste voorwaarden? Apple, met 86 miljard dollar in kas, heeft de beste papieren.

Lemley glundert: „De advocatuur mag dan last hebben van de recessie, de vraag naar patentadvocaten blijft voorlopig groeien.”

Marc Hijink

    • Marc Hijink