'Gaat dit alles weer beginnen?'

De dagboeken van ‘lobbyist voor Europa’ Max Kohnstamm (1914) laten aloude visies op Europa zien en traditionele reflexen die nu weer opduiken. Er zijn meer parallellen.

19-01-1999, Fenffe, Belgie. Max Kohnstamm FOTO BAS CZERWINSKI.

Diep spel. De Europese dagboeken van Max Kohnstamm. September 1957- februari 1963. Bezorgd door Mathieu Segers, Boom, 256 blz. €19,90

Het einde van de euro, desintegratie in plaats van integratie, en misschien wel weer oorlog. De eurocrisis heeft veel rampscenario’s op gang gebracht. Angela Merkel waarschuwt: nóg een halve eeuw vrede in Europa is niet vanzelfsprekend. Ondertussen verwijdert het Verenigd Koninkrijk zich van het continent.

De angst voor desintegratie is niet nieuw. In de jaren vijftig en zestig waren de founding fathers van de Europese integratie zich er steeds van bewust dat verworvenheden ook zomaar weer konden worden teruggedraaid. Dit blijkt uit het tweede deel van de Europese dagboeken van Max Kohnstamm, die vorig jaar op 96-jarige leeftijd overleed. Kohnstamm (1914) was een van de invloedrijkste Nederlanders in de beginjaren van de Europese samenwerking. Lange tijd was hij medewerker van de Fransman Jean Monnet, een van de architecten van Europa. Tot aan zijn dood was Kohnstamm, in zijn eigen woorden, ‘lobbyist voor Europa’.

Kohnstamms dagboeken beslaan de periode september 1957–februari 1963. De lezer reist met hem mee naar machtscentra – Bonn, Parijs, Londen, Washington – waar hij namens Monnets ‘Actiecomité voor de Verenigde Staten van Europa’ de Europese zaak bepleit. Bijna symbolisch voor Europa’s broosheid is dat de dagboeken eindigen met een veto: het ‘nee’ van de Franse president Charles de Gaulle tegen Britse toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG). De EEG was in het Verdrag van Rome van 1957 opgericht. Monnets Actiecomité had hard gelobbyd voor Brits EEG-lidmaatschap, en de toetredingsgesprekken waren al gaande. Maar De Gaulle legde het proces in een van zijn beruchte persconferenties in januari 1963 eigenhandig stil.

Reflexen

Fascinerend aan Kohnstamms aantekeningen is dat ze inzicht geven in aloude visies op Europa, op traditionele reflexen die nu weer aan de oppervlakte komen. ‘De Gaulle is meer de leider zonder Britse intree dan met, schrijft Kohnstamm over diens ‘anti-VK’-standpunt. Een sterkere Franse machtspositie in een kleiner Europa – het was ook de reden voor president Sarkozy om de afgelopen weken aan te sturen op een euro-verdrag zónder de Britten. Hij toont zich een leerling van De Gaulle. Het Verenigd Koninkrijk zelf, merkte Kohnstamm, wist niet of het wel echt bij Europa wilde horen. De conservatieve premier Harold Macmillan had in april 1961 wel een ‘We will do it’ uitgesproken tegenover de Amerikaanse regering, die ijverde voor Europese eenheid. Maar uit gesprekken met politici in Londen concludeerde Kohnstamm : ‘de kloof met Europa is nog diep.’

Het tweede deel van Kohnstamms dagboeken werd net als het eerste (1953-1957) bezorgd door de Utrechtse historicus Mathieu Segers. Diens heldere inleiding draagt bij aan de toegankelijkheid van de dagboeken, ook voor niet-historici. Segers geeft onder meer nuttige uitleg bij de terugkeer van De Gaulle, tijdens de Algerijnse crisis die in 1958 ernstig escaleerde. Doodsbang was Kohnstamm, wiens vader van joodse afkomst was, dat de Franse generaal een ‘wegbereider van het fascisme’ zou blijken. Kohnstamm werd sterk gedreven door zijn oorlogservaringen. Zelf had hij gevangen gezeten in de kampen Amersfoort en Sint Michielsgestel. In Auschwitz kwamen twee tantes om het leven.

Bij De Gaulles eerste rede in Algiers, in juni 1958, vreesde Kohnstamm het ergste. Voorafgaand aan De Gaulle spraken een plaatselijke generaal en gouverneur, waarbij de menigte in ‘geloei’ ontstak. ‘Plotseling terug in de jaren voor ’40: Hitler in Nürnberg, Hitler en Tsjechoslowakije, etc. Om een mens gek, helemaal gek te maken van ellende, angst en bitterheid. Gaat dit alles weer beginnen?’ Een ‘fascist’ was De Gaulle niet, was Kohnstamms conclusie al snel. Wel een ‘nationalist’, die van de pas opgerichte Europese instellingen een afkeer had. ‘Is De Gaulle niet bezig de communautaire geest te doden?’ Juist die gemeenschapsgeest, belichaamd in de Europese instellingen, was voor Kohnstamm hét antwoord op het nationalisme dat tot WO II had geleid. Hij beschouwde Europese integratie als een historische innovatie, een ‘nieuwe manier van samenleven’.

Maar De Gaulle had zijn eigen, tegengestelde plan voor Europa, de Europese Politieke Unie (EPU). Nationale regeringen zouden de dienst uitmaken, zonder bemoeienis van supranationale instellingen ‘De Zes’ – Frankrijk, Duitsland, de Benelux-landen en Italië – moesten regelmatige toppen houden. De EPU mislukte, maar de geest van De Gaulle is springlevend: Sarkozy’s plan voor een ‘economische regering’ (met regelmatige toppen van regeringsleiders) is in essentie een EPU-nieuwe stijl. Kohnstamm vreesde ‘uitholling’ van de gemeenschap – dezelfde angst die Sarkozy nu oproept in Brussel en elders.

‘Niet-aanvalsverdrag’

Voor Segers is het wetenschappelijke belang van de dagboeken dat ze de aandacht vestigen op een ‘niet-aanvalsverdrag’ tussen De Gaulle en zijn landgenoot Monnet. Ondanks hun tegengestelde visies op Europa werkten de twee enkele jaren ‘zorgvuldig’ samen, schrijft Segers. In de historische literatuur was dat nog nauwelijks bekend. Het geheime pact De Gaulle-Monnet is evenwel niet makkelijk uit Kohnstamms aantekeningen te destilleren. Segers’ vondst is dan ook deels gebaseerd op diplomatieke documenten, die helaas niet in het boek zijn afgedrukt.

Dit doet aan de waarde van de dagboeken niets af. Die zit onder meer in de kennismaking met Kohnstamm als persoon. Nog meer dan in het eerste deel van de dagboeken geeft hij blijk van voortdurende, dikwijls existentiële twijfel, aan het Europese project en aan zichzelf. Moet hij geen vaste baan vinden? (‘Maar au fond zoek ik geen prettige baan, maar een roeping.’)

Tenslotte zijn er in de dagboeken, zoals Segers opmerkt, ‘verbluffend veel parallellen’ met het heden te vinden. Monnet c.s. dachten na over een Europese munt mét een stabilisatiefonds. In West-Duitsland was minister Ludwig Erhard aanvoerder van een ‘triomfantelijk liberalisme’ dat zich tegen integratie verzette – het doet denken aan de FDP. En Kohnstamms beeld van Nederland heeft ook iets bekends. ‘Atmosfeer in Den Haag ongelooflijk, anti-Europeser dan ooit’, schrijft hij september 1958. En in februari ’61, in een Leids hotel: ‘Het onbeschrijflijk provincialisme. Wist niet hoe erg het was.’

    • Mark Beunderman