Een ventje dat maar door blijft schrijven

Leo Vroman: Daar. Querido, 216 blz. € 17,95

Ik houd nog altijd mijn adem in als ik de eerste regels lees van het laatste gedicht van Hans Andreus. ‘Dit wordt het laatste gedicht wat ik schrijf,/ nu het met mijn leven bijna is gedaan.’

Andreus wist dat hij ging sterven. Hij zag de dood onder ogen en kon daar nog een goed in elkaar gestoken sonnet over schrijven, waarin ‘het laatste gedicht wat ik schrijf’ drie regels verder volgens de voorschriften een rijmwoord vindt in ‘de kanker in mijn lijf.’

Hier spreekt iemand die de hoop heeft opgegeven. Niemand kan hem meer helpen. Hij weet niet wat hem te wachten staat. Hij gelooft niet in God, maar begint bij gebrek aan beter, toch maar tegen iemand aan te praten. ‘Hoe moet het nu, waar blijf ik met dat licht/ van mij, van jou, wanneer het vallen, weg in/ het onverhoeds onnoemelijke begint?’

Ik lees het met ontzag. Vraag ik me af wat dat voor ontzag is, dan kom ik alleen maar op het spreekwoordelijke heilige ontzag – voor die andere wereld, de dood, ‘het onverhoeds onnoemelijke’ waarvan niemand weet heeft.

Een vergelijkbaar ontzag overvalt mij altijd bij het lezen van de gedichten van Leo Vroman. Dat komt omdat Vroman al heel lang gedichten schrijft die wel eens zijn laatste gedicht zouden kunnen zijn. Zo spreekt hij er zelf ook over, en dat ook al weer heel lang. Niet omdat hij elke dag voor zijn leven hoeft te vrezen, maar omdat hij nu eenmaal oud is, 96 inmiddels.

Vroman schreef al gedichten in de jaren dertig, toen Hans Andreus nog naar de lagere school ging. Vroman kreeg al de P.C. Hooftprijs in 1964, toen ik nog niet eens kon lezen. Zijn verzamelde gedichten verschenen al in 1985, meer dan duizend dichtbedrukte bladzijden dik. Inmiddels heeft hij er nog minstens duizend dichtbedrukte bladzijden bij geschreven.

Leo Vroman is oud én hij schrijft maar door, even gemakkelijk als altijd. Nu is er alweer een nieuwe bundel, Daar, de vierde in vier jaar tijd, meer dan tweehonderd bladzijden dik. Een gedicht wordt bij hem gauw een gedicht over de grens van het leven, een verkenning van de nabije toekomst, of een voorstelling van wat er na de dood zou kunnen volgen. En vaak houd ik daarbij de adem in, ook al ziet het er nog zo luchtig uit.

Als hij bijvoorbeeld kalmpjes schrijft over de mededeling van de dokter dat hij de laatste drie maanden vijf pond is afgevallen. Dan slaat hij in zijn gedicht driftig aan het rekenen en komt hij tot de conclusie dat als het zo doorgaat, en hij honderd jaar wordt, hij dan ‘min 2’ zal wegen, ‘een gewicht waarmee/ men het niet lang volhoudt.’ Maar toch ziet hij dan nog wel mogelijkheden. Hij stelt zich voor dat hij dan de hele verjaardagstaart in zijn eentje opeet en zo ‘zeg 5 pond’ aankomt en dan, even rekenen, ‘kan ik weer bestaan/ als een baby van 5 min/ 2 is 3 pond: een goed begin.’

Er zit in de poëzie van Vroman toch ook altijd iets van plezierdicht. Hij klinkt nooit ouwelijk of klagerig, maar altijd monter en nieuwsgierig, gericht op het hier en nu, elke dag weer: ‘ik schrijf als ik moet,/ als er een netwerk van gedachten/ en rijm als een kanker in mij groeit/ en niet meer kan wachten.’

Al die kankergezwellen bij elkaar leveren een levendig poëziedagboek op, waarin het ook nog gewoon kan gaan over dromen, zonsondergangen, uitzichten, de werking van de amygdala of het lichaam van de dichter, met zijn dunne armen (‘hangelend als lange/ slappe bleke soepvleesslangen’), zijn ‘maagdenborsten, elk half gevuld met karnemelk’ en dan ‘onderaan die droeve l/ op die handgeschreven W’, waarin de handgeschreven W mij een beeld lijkt voor de contouren van Vromans scrotum.

Nog altijd rijmt Vroman van alles aan elkaar, en nog altijd klinkt dat bij hem heel natuurlijk, soepel en ongedateerd. Soms als een simpel liedje, in deze regels over die laatste dag die vermoedelijk toch ooit wel komen zal: ‘en dan zeilen wij, zeilen wij samen/ met alles volkomen kwijt/ weg in de vergetelheid, zeilen wij weg.’

En soms als een simpele brief, zoals in het allerlaatste gedicht, achterop de bundel, in handschrift afgedrukt. Dat suggereert dat het Vromans laatste gedicht is, geschreven na inlevering van de kopij. Vroman richt zich in zijn brief tot zijn ‘lieve critici’, bij wie hij zich wil verontschuldigen voor het ontbreken van een duidelijke lijn in al zijn duizenden gedichten. ‘Ik blijf een ventje dat maar schrijft’, zonder verder gedachten over eeuwigheid of vergetelheid, van dag tot dag.

‘Eergisteren zei mijn dermatoloog:/ ik zie een kleine zwarte plek en die/ vereist even een biopsie./ Melanoma, vroeg ik droog.’ Het antwoord was bij het schrijven van het gedicht blijkbaar nog niet bekend. ‘Zo ja, dan leef ik nu nog maar/ hoogstens een paar jaar.’ Het is het voorrecht van de 96-jarige om daar laconiek op te laten volgen: ‘Zo nee, dan ook een paar.’ Ik houd dan toch weer even mijn adem in. Het zijn regels van een dichter die maar al te goed weet dat hij onderweg is ‘van zijnd naar bijna niet meer zijnde’ en kijkt naar ‘het einde van mijn einde.’