De uzi werd een chanoekalamp

Een tentoonstelling toont de culturele gevolgen van de verspreiding van de joden over de wereld. Er is opvallend weinig aandacht voor de Shoah.

Daar liggen ze dan, in een speciaal geacclimatiseerde ruimte: drie stukjes papyrus met Hebreeuwse letters. Een beschrijving van feesten en offers, rond het begin van onze jaartelling opgetekend door gelovigen die als ‘zonen van het licht’ strijd voerden tegen de in hun ogen corrupte priesters. Het zijn fragmenten van een rol van oorspronkelijk 8 meter, die na WO II met vele andere rollen opdoken in grotten bij de Dode Zee.

De in Nederland nooit eerder vertoonde fragmenten zijn een blikvanger op de tentoonstelling Jodendom. Een wereld vol verhalen, die vanaf morgen te zien is in De Nieuwe Kerk (DNK) in Amsterdam. Met 500 voorwerpen, waaronder vele bruiklenen uit Israël, de VS en Oost-Europa, wordt 3.000 jaar joodse geschiedenis getoond.

Dat gebeurt op een moment dat de verhouding tussen Nederlandse samenleving en de joodse minderheid wat gespannen is, vindt DNK-directeur Cathelijne Broers: „In het politieke debat over het ritueel slachten is één klein aspect van het jodendom naar boven gehaald. Wij bieden hier de hele context.”

Die context valt het best aan te duiden als ‘eenheid in verscheidenheid’. In duizenden jaren hebben joden zich over de hele aardbol verspreid. Daarbij hebben zij altijd vastgehouden aan hun religieuze tradities. Tegelijkertijd pasten de joden in de diaspora de manier waarop ze dit deden steeds aan op de, vaak vijandige, omstandigheden in het land in kwestie.

Die veelvormigheid van de traditie komt bijvoorbeeld goed tot uitdrukking in een zestigtal chanoekalampen, de vermaarde negenarmige kandelaars. Europese lampen zijn veelal barok, terwijl op de oriëntaalse lampen vaak een chamsa zit, een handje tegen het boze oog. Een rijk gedecoreerde lamp uit het negentiende-eeuwse Polen ligt niet ver van een Israëlisch speelgoedvliegtuigje (1960) met negen kaarshouders. Het toppunt van improvisatie is een chanoekalamp die iemand (een soldaat?) heeft gemaakt van de kolf van een pistoolmitrailleur, een uzi.

De oorsprong van de diaspora ligt in 70 na Christus, toen de Tweede Tempel in Jeruzalem werd verwoest. De tentoonstellingsmakers duiden deze tempel aan als een heilige plaats die niet meer bestaat. Hetzelfde geldt voor de tabernakel, een soort tent waarin de Ark des Verbonds werd verplaatst door de Sinaïwoestijn.

De tabernakel is eind negentiende eeuw in Nederland nagebouwd door een protestantse dominee: een aandoenlijke maquette met echt Sinaïzand, poppen en speelgoeddieren. De Tweede Tempel heeft voortgeleefd in het bewustzijn van joden overal in de wereld, tonen allerlei maquettes. Zo is de Portugese synagoge in Amsterdam gebouwd naar een voorstelling die de Sefardische joden zich hier in de zeventiende eeuw maakten van de tempel.

Het pronkstuk is een Duitse maquette van de Tweede Tempel, die is gemaakt aan het einde van de zeventiende eeuw naar een reconstructie door een Spaanse jezuïet. Het houten gevaarte van 3,5 bij 3,5 meter is het grootste architectuurmodel uit de barok. De aaneenschakeling van strenge gebouwen en hoven – voor het eerst buiten Duitsland te zien – is een fraaie versmelting van Europese bouwkunst met joodse tradities.

De joodse aanwezigheid heeft in Europa ook vaak voor grote spanningen gezorgd, met pogroms in Oost-Europa en vervolging door de inquisitie in Spanje. Het schilderij Eenzaamheid (1933) van Marc Chagall biedt een melancholieke blik op de de teloorgang van het joodse leven in de sjtetls. Achter een sombere man met een Tora lijkt Chagalls geboortestad Vitebsk te verdwijnen. Een viool, symbool van joodse vrolijkheid en vitaliteit, ligt op de grond. De tentoonstellingsmakers zien in het doek zelfs een voorspelling van de Shoah.

Deze massamoord neemt op de tentoonstelling een bescheiden plek in: een lap stof met jodensterren, gemaakt door een textielfabriek in Enschede. Een subtiel en indringend beeld: met de sterren werden joden buitengesloten en uitgeleverd, terwijl een fabrikant eraan verdiende. In de vitrine ernaast hangen tien speelse en schrijnende litho’s die El Lissitzky in 1919 maakte bij Chad gadja, het kinderliedje dat bij Pesach wordt gezongen. Met dit lied, waarin eerst een bokje wordt opgegeten en God uiteindelijk de engel van de dood vernietigt, krijgt de lap stof een plaats in de geschiedenis van vervolging en overleving.

Toch hebben de joden zich in Nederland altijd heel erg veilig gevoeld, benadrukt gastcurator Edward van Voolen: „Dat komt doordat joden hier al vier eeuwen geleden volledige religieuze vrijheid kregen.” Dat maakte volgens hem het debat over een verbod op ritueel slachten zo bedreigend. Dat verbod komt er waarschijnlijk niet, maar, zegt Van Voolen „de discussie over de besnijdenis komt er ook aan, en die traditie is ook wezenlijk voor de joodse identiteit”. De besnijdenis is een teken dat het verbond van God met zijn volk voortbestaat, leert de tentoonstelling.

Net zo bepalend voor de joodse identiteit is het boek: de Tora met de wetten van Mozes, de Talmoed met de in eeuwen verzamelde exegeses van geleerde rabbijnen, de verhalen die voortleven in kleine witzen en grote literatuur. Vandaar dat overal in de kerk banieren hangen met Torateksten in verschillende talen. Vandaar de ereplaats voor de Dode Zee-rollen, vandaar dat in de klimaatkamer ook de Aleppo-codex ligt.

Deze codex uit 930 is de oudste Hebreeuwse Bijbel, die eeuwen lang in de Syrische havenplaats Aleppo was. Van de 487 bladzijden raakten er 193 verspreid en een daarvan ligt nu hier. Van Voolen: „Lang is gedacht dat het boek verloren was, maar na de Tweede Wereldoorlog is het via onder meer Turkije naar Israël gesmokkeld. De codex symboliseert zo de overleving van het jodendom.”

Jodendom. Een wereld vol verhalen: van 17/12 tm. 15/4/2012 te zien in de Nieuwe Kerk. Inl: nieuwekerk.nl