De achilleshiel van de rechtsstaat

Het gekeuvel over ‘de rechtsstaat’ begint behoorlijk te irriteren. Er gaat geen week voorbij of een oud-rechter of -politicus betoont zijn toewijding aan deze institutie, vaak uitgedrukt in zalvende algemeenheden. Er worden ‘nachten’ voor georganiseerd, boeken en artikelen aan gewijd, er worden tv-programma’s over gemaakt.

Vorige week nog verscheen een essay van Dorien Pessers, De rechtsstaat voor beginners. Slordig schrijvend heeft de auteur het in dit vademecum van „praktische wijsheid” (aldus de achterflap) over pacta sunt suvanda in plaats van servanda, noteert zij „Hobbes (zeventiende-eeuwer) en Locke”, alsof John Locke – levend tussen 1632 en 1704 – niet ook zeventiende-eeuwer was, en stelt ze dat de Fransen zouden spreken van een fiction protective waar dat fiction protectrice moet zijn. Niettemin geeft het essay goed weer waar het verdedigers van de rechtsstaat om te doen is: een normatief kader bieden voor de democratie. In naam van ‘de rechtsstaat’ wordt een grens gesteld aan de meerderheid. Een rem op de volkswil, een garantie aan minderheden.

Hoe mooi dit op het eerste gezicht ook klinkt, er zijn twee problemen aan verbonden. Het eerste is dat verdediging van minderheden de vraag oproept wanneer de meerderheid zijn wil desondanks mag doorzetten. Wat valt buiten de grenzen van de rechtsstaat en wat erbinnen? En wie bepaalt dat? Een boerkaverbod, een minarettenverbod, inperking van gezinshereniging – is dat wel of geen gerechtvaardigde inbreuk op de rechten van minderheden? En wat te denken van een politieke partij die vrouwen uitsluit van passief kiesrecht? Welke minderheid weegt zwaarder – vrouwen of orthodoxe christenen? Wie alleen maar over ‘de’ rechtsstaat praat, verheldert niets, maar verlegt slechts de kwestie.

Het tweede probleem is venijniger. Aangezien niet alleen de ‘kwetsbare groepen’ minderheden zijn, maar de rechtstatelijke elite zelf ook minderheid is, dreigt achter een verdediging van de rechtsstaat altijd een verdediging van de eigen belangen van de elite schuil te gaan. Waar tirannie van de meerderheid de achilleshiel is van democratie, is tirannie van de minderheid de achilleshiel van de rechtsstaat. Dit speelt bijvoorbeeld bij de Europese eenwording, een eliteproject dat nergens in Europa op meerderheidssteun kan rekenen. Hoezeer de politieke elite ook verkondigt dat de EU in het algemeen belang is – velen zien er niet veel meer in dan een baantjesmachine van een gesloten, zelfgenoegzame kaste. Betekent inperking van de wil van de meerderheid in dezen een noodzakelijke bescherming van kwetsbare minderheden, of slechts een voortzetting van de hobby’s van de macht?

Dorien Pessers lijkt zich van deze twee grondproblemen van de politieke filosofie niet bewust. Opgewekt verkondigt zij over rechters: „Omdat zij niet gekozen maar benoemd worden, is hun legitimatie gelegen in hun onpartijdigheid.” Pardon? Omdat de Franse koning niet gekozen maar benoemd werd, was zijn legitimatie gelegen in zijn onpartijdigheid? Natuurlijk kun je mensen benoemen om ‘onpartijdig’ te zijn, maar niemand die garandeert dat ze dat ook daadwerkelijk zullen zijn. Een rechtsstaat kan ontaarden in een rechtersstaat – een dicastocratie, zoals de oude Grieken dat noemden. Hoe meerderheid en minderheid, elite en volk, zich tot elkaar verhouden is een onontkoombaar oerprobleem van de politiek. Geen van beide mag de overhand krijgen; ze moeten elkaar in evenwicht houden.

Het aardige aan de conservatieve traditie is dat daarin grote aandacht bestaat voor dit evenwicht. Aan de ene kant waarschuwt deze traditie voor de politicus die in naam van de abstracte ‘volkswil’ alle bestaande rechten en plichten opzij schuift. Met een beroep op de volonté generale kwam na de Franse Revolutie de terreur van Robespierre tot stand en wist Napoleon zijn machtsgreep te legitimeren. Het leidde tot revolutionair verval in decennia van Europese oorlogen. Van Montesquieu en Burke tot Tocqueville en Abraham Kuyper: alle conservatieven waarschuwen voor dergelijk democratisch absolutisme – en pleiten dus voor rechtsstatelijke waarborgen.

Aan de andere kant wijst de conservatieve traditie er ook op dat de gebruiken van het gewone volk, de vooroordelen van de gewone man, niet door de elite genegeerd mogen worden. In de twintigste eeuw krijgt deze opvatting zeker sinds 1968 de overhand binnen de conservatieve stroming. Christopher Lasch en Roger Scruton wijzen bijvoorbeeld op de vertrouwensbreuk die is ontstaan tussen volk en elite, waarbij de volkswil in naam van ‘de rechtsstaat’ teveel zou zijn ondermijnd. Wie zijn volk wil opstuwen in de vaart der volkeren, zo betogen zij, zal zijn verlichte opvattingen moeten doseren en op conservatieve vooruitgang moeten aansturen.

In De rechtsstaat voor beginners concludeert Dorien Pessers dat ontwikkeling van de ‘reciprociteit’ tussen burgers onderling de kern van de beschavingsarbeid van de rechtsstaat is. Hier dient het inzicht bij te komen dat er ook wederkerigheid moet zijn tussen de politieke elite en de burgers. De vraag is niet of de rechtsstaat belangrijk is, maar hoe die rechtsstaat zich verhoudt tot de democratie – en wat er gedaan kan worden om de ontstane vertrouwensbreuk te herstellen.

    • Thierry Baudet