Alleen een plurilateraal trekt zijn onderbroek uit

Als alles goed gaat wordt Rusland vandaag lid van de wereldhandelsorganisatie WTO. De ministeriële conferentie die deze week plaatsvindt, zal de Russische aanvraag goedkeuren. Daarna is een van de laatste witte plekken in de wereldhandel ingekleurd.

Goed nieuws is ook dat 43 landen gisteren overeenkwamen elkaars markten voor overheidsaankopen verder open te stellen. De WTO schat dat de extra markt die wordt aangeboord door de nieuwe overeenkomst tussen de 80 en 100 miljard dollar groot is. China mag nog niet meedoen, want het aanbod van dit land werd te mager gevonden. Er is bovendien de bezorgdheid dat China wel zal gaan profiteren van de overheidsmarkt van anderen, maar de eigen markt functioneel gesloten houdt. Maar wie weet komt het er, met meer Chinese concessies, alsnog van.

Het minder goede nieuws is dat de Doha-ronde, de jongste multilaterale onderhandeling over het verder openen van de wereldmarkt voor met name diensten, in wezen dood is verklaard. Dat is een flinke tegenslag. De wereldhandel is na de Tweede Wereldoorlog met het tekenen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel, de GATT, in zogenaamde ‘rondes’ vrijgemaakt. Die rondes duurden steeds langer. De zogenoemde Dillon-ronde, die werd begonnen in 1960, nam al twee jaar in beslag, de Kennedy-ronde uit 1962 deed er vijf jaar over. De Tokyo-ronde van 1973 zesjaar en de Uruguay-ronde die werd gestart in 1986, nam tot 1994 in beslag. Dat is acht jaar.

Nu mag je verwachten dat er sprake is van een soort van hyperbolische functie: aanvankelijk zijn er grote stappen mogelijk, maar naarmate de handel vrijer wordt, wordt het steeds moeilijk om nog extra vooruitgang te boeken. Vergelijk het met strippoker: die trui is geen probleem, en sokken ook niet, maar naarmate het ondergoed nadert wordt het al een stuk lastiger. Dat landen uiteindelijk naakt voor elkaar staan is, economisch bekeken, een eerbiedwaardig streven. Maar het is wel veel gevraagd. De Doha ronde, die werd begonnen in 2001, zou volgens de wet van de hyperbool in 2012 zijn beslag moeten krijgen. Maar waarschijnlijk is dat niet.

De kracht van de GATT, die in 1995 werd omgevormd tot de WTO, is zijn ‘multilaterale’ karakter. Van begin af aan gold als maatstaf het zogenoemde principe van ‘meestbegunstiging’: wat je met een ander land aan vrijhandelsmaatregelen overeen komt, geldt ook meteen voor alle andere landen. Regionale integratie, zoals die in Europa sinds 1957, vormde daar al een uitzondering op. Maar vooral de laatste twintig jaar kenmerken zich door een toename van ‘bilaterale’, exclusieve overeenkomsten. Binnen Azië bijvoorbeeld, maar ook tussen de Verenigde Staten en tal van andere landen.

De gisteren gesloten deal over toegang tot elkaars overheidsaankopen is in zekere zin een nieuw fenomeen. Hij is gesloten tussen 42 landen, en de WTO heeft er een aparte naam voor: ‘plurilateraal’.

Is dat een trend? Het lijkt er wel op. Als gezamenlijke vooruitgang moeilijk of onmogelijk wordt, dan maar met een coalitie van welwillenden. Binnen Europa is daar ook sprake van. De euro is juridisch nog verpakt als een gezamenlijk Europees project, waar landen zich van konden afzonderen, zoals het Verenigd Koninkrijk heeft gedaan. Het vorige week overeengekomen plan van de eurolanden voor verdere budgettaire integratie, is een plurilateraal plan. De onwillende, opnieuw het Verenigd Koninkrijk, blijft er buiten.

Nu is het misschien goed dat verdere integratie, in Europa of de wereld, zich niet langer stoort aan de achterblijvers. Maar het is ook op te vatten als een teken van fragmentatie. Christine Lagarde, de topvrouw van het IMF, waarschuwde gisteren nog voor een opleving van protectionisme en isolationisme ‘in de stijl van de jaren dertig’. Dat is, ook voor een plurilateraal in zijn ondergoed, geen prettig vooruitzicht.

Maarten Schinkel

    • Maarten Schinkel