Zwakke euro erg? Dat hangt er van af

De euro is voor het eerst sinds januari gedaald onder de 1,30 dollar. Reden voor paniek? Kan zijn, maar voor een regio in recessie is het helemaal niet zo ongunstig.

1,2960 dollar noteerde de euro vanmorgen, en dat is sinds afgelopen januari niet gebeurd. Op de valutamarkt werd de munt dinsdag al gedumpt en verloor een volle cent. Gisteren dook de euro door de grens van 1,30 dollar, en bleef daar vanmorgen hangen. Daarmee is de wisselkoers tussen dollar en euro voor het eerst sinds bijna een jaar buiten de bandbreedte getreden die vrijwel geheel 2011 hardnekkig stand hield. Tot verbazing van veel economen en beleggers, overigens. Want een munt waarvan over het bestaan wordt getwijfeld, zou het in principe veel slechter moeten doen. Het is dan ook eerder verwonderlijk dat de uitglijder van de euro niet veel eerder heeft plaatsgevonden. Dus waarom nu wel?

Daarover circuleerde op de markten de afgelopen dagen een baaierd van redenen. Het kan zijn dat het kredietoordeel over de als sterk beschouwde Noordelijke eurolanden op het punt staat verlaagd te worden. Regeringen worden daar doorgaans twaalf uur van te voren van op de hoogte gesteld, en dus is de handel op zoek naar politieke uitlatingen om het publiek op de imminente afwaardering voor te bereiden. Gisteren leek dat in Parijs het geval, toen de Franse minister van buitenlandse zaken Juppé zei dat een afwaardering van de huidige AAA-rating „niet catastrofaal” zou zijn.

Dat kon een teken zijn, maar er is, aan de Europese kant, meer aan de hand. Hoewel internationale centrale banken begin deze maand afspraken om de Europese geldmarkt blijvend van dollars te voorzien, kan er alsnog sprake zijn van een krapte aan dollars tegen het jaareinde, als de banken de boeken sluiten. Europese banken hebben in de loop van het jaar steeds meer moeite gekregen om hun uitzettingen in dollars gefinancierd te krijgen op de geldmarkt. Een piek in de vraag naar dollars kan nu de eurokoers hebben gedrukt.

Daarbij komt dat de Amerikaanse centrale bank na zijn vergadering van dinsdag iets positiever klonk over de vooruitzichten van de Amerikaanse economie. Over Europa worden de berichten juist steeds slechter, zoals gisteren over een sterke val van de industriële productie. Wisselkoersen luisteren soms naar veranderingen in de economische dynamiek van de twee betrokken landen, maar wat in dit geval belangrijker lijkt zijn de monetaire consequenties. De kans op een nóg agressiever versoepeling van het beleid van de Amerikaanse centrale bank is wat afgenomen, terwijl de kans op een renteverlaging door de ECB juist is gestegen. Dat vertaalt zich doorgaans in een sterkere dollar en een zwakkere euro.

En dan is er uiteraard nog het minst gunstige scenario: dat van toenemende onrust over het voortbestaan van de euro zelf. Op de markten werd gisteren en vanmorgen veel waarde gehecht aan de forse, recente, prijsdaling van goud. Wantrouwen in het Amerikaanse geldbeleid, of het internationale monetaire systeem zelf, is lange tijd gezien als de drijvende kracht achter de goudprijs. Maar als het er echt op aankomt, dan is de reflex er nog altijd een van een vlucht in de Amerikaanse dollar. De euro heeft, ook in zijn donkerste dagen van 2011, geen al te forse koersdalingen ondergaan. Wellicht is dat omdat, als de Europese munt uit elkaar valt, Duitsland de spil zal zijn van een kleinere groep landen die de euro aanhouden. Maar nu het risico op een wanordelijke desintegratie van de muntunie toeneemt, is ook dat scenario niet zo zeker meer.

Dat betekent overigens niet dat de koersdaling van de euro per definitie slecht nieuws is. Nu de eurozone op een recessie afstevent, kan een zwakkere munt de schok mitigeren. Exporteurs zullen blij zijn met de recente koersval. Beleggers zien de waarde van bezittingen buiten de eurozone stijgen. Het enige risico is dat de inflatie in de eurozone verder stijgt. Deze bleek vanmorgen 3 procent te bedragen, en dat is ruim boven de 2 procent die de ECB formeel nastreeft. Maar voorlopig valt niet te verwachten dat dit een renteverlaging in de weg staat. Rekkelijkheid in deze heeft al lang bezit genomen van het hoofdkwartier in Frankfurt, en een periode van ondermaatse groei of krimp zorgt doorgaans voor een afnemende inflatiedruk.

Zo erg is de daling van de euro dus niet. En ook de omvang er van moet niet worden overdreven. Vlak na de kredietcrisis daalde de euro tot 1,21 dollar. In 1999 bedroeg de wisselkoers 1,17 dollar. En in 2000 dook de euro nog naar een diepterecord van 0,84 euro per dollar. In dit licht is de recente koersdaling dus uiterst bescheiden. En nog geen reden tot paniek.

    • Maarten Schinkel