Wij strooien niet met ADHD

Halve klassen zouden tegenwoordig het label ADHD of PDD-nos krijgen.

Maar dat beeld klopt niet: ongeveer zeven procent krijgt zo’n diagnose.

Als hoogleraren kinder- en jeugdpsychiatrie maken we ons ernstig zorgen over het losse gebruik van psychiatrische termen zoals ADHD en PDD-nos. Dit schaadt namelijk diegenen die door deze stoornissen daadwerkelijk belemmerd worden in hun functioneren en daarvoor hulp nodig hebben.

De indruk bestaat dat psychiatrische problemen onze kinderen als een tsunami treffen. Maar internationaal onderzoekt toont aan dat ongeveer 7 procent een dergelijke diagnose krijgt.

Voor deze groep dreigt stigmatisatie, want hun problemen wordt niet meer serieus genomen: ouders zijn de oorzaak; psychiatrische patiënten zijn losers die hun verantwoordelijkheid niet nemen.

Zo worden echter kansen gemist, want aangetoond is dat behandeling effectief is en dat goede geestelijke gezondheidszorg de kwaliteit van leven en dus de welvaart verhoogt (zie het RIVM-rapport Zorg voor Gezondheid, 2006).

Dat de zorg beter moet, minder versnipperd en efficiënter, erkennen we zeker. En ook dat we duidelijker moeten kunnen bepalen wie welke vorm van zorg nodig heeft.

We maken ons echter zorgen over de beleidsplannen van het kabinet, zoals de stelselwijziging zorg voor jeugd, die voorziet in overdracht van alle zorg voor jeugd aan de gemeentes. Dat plan bouwt immers op de overtuiging dat een gemeentelijke aanpak en goede buurtzorg volstaan. Met overgang van de specialistische kinderpsychiatrie naar de gemeente, wordt de wethouder aldus verantwoordelijk voor jongeren die omwille van psychotische klachten of zelfmoordpogingen acuut moeten opgenomen worden.

Het huidige beleid gaat uit van de overtuiging dat vele kinderen ten onrechte een diagnose krijgen en dus onnodig behandeld worden. De kinderpsychiatrie zou lukraak stoornissen opplakken: ADHD omdat iemand een beetje drukker is, PDD-nos omdat men minder sociaal is.

Dit is incorrect, want richtlijnen en psychiatrische classificatiesystemen schrijven voor dat kinderen slechts een stoornis toegeschreven mogen krijgen als de klachten hun dagelijks functioneren en ontwikkeling sterk belemmeren.

Het betreft kinderen die door concentratieproblemen niet komen tot lezen of rekenen, die door sociale problemen nooit uitgenodigd worden op feestjes, die door eetproblemen zichzelf tot de dood uithongeren, enzovoorts. Opvoedhulp is ontoereikend, ouders kunnen nergens meer terecht met hun kind. Familieleden willen bovendien niet meer oppassen omdat het te druk is; op de school worden ouders herhaald ter verantwoording geroepen wegens onhandelbaarheid.

Dit kun je niet, zoals de minister voorstelt, afdoen als ‘opgroei- en opvoedproblemen’.

Diagnoses hebben bovendien net als in de rest van de geneeskunde een belangrijke functie, voor de communicatie tussen hulpverleners en om duidelijk te hebben volgens welke richtlijn gehandeld moet worden.

Ook wij ondersteunen het streven van de overheid om zo min mogelijk kinderen in de dure tweede lijn te behandelen. De minister doet hiervoor echter voorstellen waarvan we nu al weten dat ze niet de oplossing zullen bieden.

Voor de selectie welk type zorg iemand nodig heeft, komt er een front office (Centra Jeugd en Gezin, ofwel CJG). Daar moet men met „antennes en een ‘neus’ voor de problemen” bepalen wie waar hulp nodig heeft en krijgt (aldus de beleidsbrief Geen kind buiten spel, van 8 november). Dit idee is echter al eerder voorgesteld en uitgeprobeerd; het heeft gefaald. De Bureaus Jeugdzorg hadden deze taak moeten opnemen.

Dat Centra Jeugd en Gezin-medewerkers met enige scholing nu wel „antennes en een neus voor de problemen” zullen hebben, is wishful thinking. Een reden voor overdiagnostiek is immers juist dat onvoldoende geschoolde professionals toegelaten worden om diagnostische indicaties te stellen. De kans op onoordeelkundige verwijzing wordt enkel maar groter. Temeer daar door overgang naar de gemeentes de grens tussen basiszorg en specialistische zorg verdwijnt. De drempel naar de kinderpsychiater wordt alleen lager.

De kinderpsychiatrie heeft de voorbije jaren al heel wat initiatieven genomen. Zo schrijft het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen voor; en het samenwerkingsverband ROMCKAP hoe zorg te verbeteren door onderlinge vergelijking van resultaten. Dit alles heeft al geleid tot doelmatiger werken en afbouw van aantal bedden ten voordele van ambulante hulp.

En daar eindigt het niet bij. De de werkgroep ‘Stelselwijziging zorg voor jeugd’ van Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie heeft ondermeer als doel onderscheid te maken tussen ‘opgroei- en opvoedproblemen’ en kinderpsychiatrische stoornissen.

Dat is dus geen ‘neus en antennes’, maar toewijzing aan de juiste zorg middels een wetenschappelijke onderbouwde werkwijze.

Robert Vermeiren (LUMC), Theo Doreleijers, (VUMC), Ruud Minderaa (UMCG), Jan Buitelaar (UMC St. Radboud), Rutger Jan van der Gaag (UMC St. Radboud) en Frank Verhulst (Erasmus MC) zijn hoogleraren kinder- en jeugdpsychiatrie.