Wat Afrika kan leren van Aziatische tijgers

Zuidoost-Azië zorgde de afgelopen halve eeuw beter voor zijn boeren dan Afrika. Wat de motieven ook waren, dit beleid ontketende een spectaculaire economische groei, terwijl Afrika verarmde.

A view from upstream of Malaysia's Bakun dam, in the inland of the eastern state of Sarawak on Borneo island is seen in this December 11, 2003 file photo. A surge in mega-hydropower projects across the world in the coming decade will only be affected marginally by a decision announced on December 8, 2011, to delay building a large dam across the Mekong, Southeast Asia's longest river. Malaysia, which generates most of its power with fossil fuels, is pushing ahead with a huge hydropower programme in Sarawak state on Borneo island that is displacing indigenous communities, disrupting river flows and triggering deep anger. The 2.4 GW Bakun dam, which started generating power in 2011, is by far the nation's most controversial project with more than 100 cases still pending in Malaysia's courts. The dam was first proposed in 1960s and shelved twice. To match Analysis ENVIRONMENT-DAMS/ REUTERS/Bazuki Muhammad/Files (MALAYSIA - Tags: ENVIRONMENT ENERGY POLITICS BUSINESS) REUTERS

China investeert in Afrikaanse wegen, mijnen en landbouwgrond, en India volgt dit voorbeeld. Afrika, dat een halve eeuw geleden aan een onafhankelijk bestaan begon onder dezelfde condities als Azië, heeft nu het nakijken.

De achterstand is extra navrant als we Afrika bezuiden de Sahara vergelijken met de landen van tropisch Zuidoost-Azië, die in de jaren tachtig de eretitel kregen van ‘tijgereconomieën’. Afrika heeft nog steeds geen economische leeuwen.

Deze week eindigde het vijfjarig onderzoeksproject, ‘Tracking Development’. Op initiatief van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gingen twee onderzoekers uit Nederland, twee uit Zuidoost-Azië en twee uit Afrika op zoek naar de oorzaken van het Grote Verschil. De grote vergaderzaal van het ministerie was een goede keus voor de slotbijeenkomst. Hier beraadslaagde aan het eind van de jaren tachtig de donoren van Indonesië. Die club werd in 2007 ontbonden. Het grootste land van Zuidoost-Azië, waar in de jaren zestig honger werd geleden, kon voortaan op eigen benen staan.

In 1960 waren Afrikanen gemiddeld rijker dan Zuidoost-Aziaten. Rond 1980 haalde Zuidoost-Azië Afrika in wat groei betreft en nu is het hoofdelijk inkomen er het dubbele van dat in Afrika. In de jaren negentig was er wat groei in Afrika, dankzij verbeterd macro-economisch beleid en een toegenomen vraag naar grondstoffen. Maar die groei leidde niet tot vermindering van de armoede. In Zuidoost-Azië ging de economische groei gepaard met een spectaculaire vermindering van de armoede. In Indonesië daalde het percentage mensen onder de armoedegrens van 60 in 1970 tot 22 in 1984. In andere landen in de regio zien we soortgelijke prestaties, zij het op andere tijdstippen. De jongste winnaar is Vietnam.

Veel afrikanisten schrijven Afrika’s falen toe aan corruptie en ‘zwakke instellingen’. Sociaal-geograaf David Henley, hoogleraar Hedendaags Indonesië aan de Universiteit Leiden en onderzoeker van ‘Tracking Development’, is sceptisch over deze verklaring: „Indonesië wedijverde in de periode van zijn grootste ontwikkelingssuccessen, de jaren zeventig, met Nigeria om de titel van ’s werelds meest corrupte land, met Thailand als goede derde. De reden voor Afrika’s mislukking, zeggen wij, is niet corruptie of inadequate uitvoering van potentieel succesvol ontwikkelingsbeleid. Nee, de reden ligt in het feit dat Afrika nooit heeft geprobeerd het soort beleid te voeren dat zo succesvol is gebleken in Azië”.

In Indonesië begonnen inkomens, na een lange periode van stagnatie, te groeien in 1967, toen generaal Soeharto president werd. In Nigeria, dat in het project is vergeleken met Indonesië omdat beide landen belangrijke olieproducenten zijn, groeide de economie ook een tijdje door de olie-inkomsten. Maar die groei zette niet door. In Zuidoost-Azië bleef de economie groeien dankzij een ontwikkelingsstrategie ten gunste van het platteland en van de armen.

Indonesië financierde de investeringen eerst met buitenlandse hulp, later uit de oliebaten. Eenderde van het ontwikkelingsbudget ging naar de landbouw. Het irrigatiesysteem werd verbeterd en er kwamen nieuwe rijstvariëteiten met een hoge opbrengst beschikbaar. Kunstmest en krediet werden gesubsidieerd. De staat garandeerde de boeren een minimumprijs voor hun rijst. Tussen 1968 en 1985 stegen de opbrengsten per hectare met 80 procent. In de jaren zestig was Indonesië nog de grootste rijstimporteur ter wereld, in 1984 was het zelfvoorzienend.

De nieuwe landbouwtechnologie was arbeidsintensief. Tientallen miljoenen boeren en landarbeiders profiteerden ervan. De overheid investeerde ook in wegen, elektriciteit, scholen en gezondheidszorg op het platteland, waar 70 procent van de bevolking leeft. De economie als geheel begon te groeien en in de jaren tachtig kregen particulieren vertrouwen in het land. Zij gingen investeren in arbeidsintensieve industrieën voor de export: kleding, schoenen en elektronica.

Elders gebeurde iets vergelijkbaars. Tussen 1950 en 1970 is het bevloeide areaal in Thailand verdrievoudigd, waardoor de rijstopbrengst toenam met 50 procent. In Maleisië begon de gestage groei in 1958, toen de regering van de net onafhankelijke Federatie Malaya aankondigde dat ze topprioriteit zou geven aan lotsverbetering voor plattelandsbewoners. Binnen vijftien jaar werden veel kleine rubbertuinen met overheidshulp beplant met nieuwe, productievere bomen. De rijstproductie werd verdubbeld door grote irrigatieprojecten. In Vietnam gebeurde hetzelfde tussen 1975 en 1990.

Waarom gebeurde dit? De politieke realiteiten van de jaren zestig dwongen Aziatische elites om de belangen van kleine boeren serieus te nemen. Thailand en Maleisië kregen na de oorlog te maken met communistische opstanden. De communistische partij van Indonesië steunde op de armen van het Javaanse platteland en dreigde te gaan domineren, tot het leger er in 1965 bloedig mee afrekende. De ontwikkelingsplannen voor het platteland dienden om de aantrekkingskracht van politiek radicalisme te neutraliseren en zo de macht van de elites veilig te stellen.

Afrikaanse regeringen zagen ‘ontwikkeling’ als snelle industrialisering om die achterlijke landbouw te boven te komen. Terwijl Indonesië zijn oliedollars in de jaren zeventig uitgaf aan arbeidsintensieve landbouw, besteedde Nigeria de olie-inkomsten aan kapitaalsintensieve industriële projecten, waaronder een gigantische staalfabriek die nooit staal heeft geproduceerd. Zelfs als zij spullen maakten, hadden deze nieuwe industrieën heel weinig mensen in dienst. De groeiende kloof tussen arm en rijk werd door Nigeriaanse planners gezien als ‘de prijs van snelle ontwikkeling’.

Een paar Afrikaanse landen gaven prioriteit aan de landbouw, zoals Kenia, een ander land dat Tracking Development onder de loep heeft genomen. Maar de Keniaanse regering wedde niet op de massa van arme boeren, die de meeste aandacht vroegen. In de jaren zestig gingen de landbouwsubsidies naar 3 procent van de boeren, een elite. In 2003 hebben de Afrikaanse regeringen zich voorgenomen ten minste 10 procent van hun overheidsuitgaven te besteden aan landbouw. Tot op heden hebben maar acht landen dat werkelijk gedaan. Indonesië, met veel gunstiger condities voor landbouw, trok er in 1979 21 procent voor uit.

Wat kunnen donoren hiervan leren? De politieke dreiging die Aziatische beleidsmakers destijds tot heilzame programma’s inspireerde, ontbreekt volgens Henley: „Electorale democratie legt niet dezelfde druk op regeringen. Toch kunnen donoren zelf voorrang geven aan de juiste activiteiten. Ze kunnen bij Afrikaanse elites aandacht vragen voor het feit dat successen elders vooral zijn bereikt door strategieën ten gunste van armen en het platteland. Die hebben niet alleen de armoede verminderd, maar ook processen in gang gezet die hele landen welvaart brachten.”

    • Dirk Vlasblom