Tobben over het prille vaderschap

Vader, de roman van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård (1968), is een autobiografisch getint verhaal over een opgroeiende man in de jaren zeventig en tachtig in Noorwegen. Het is het eerste deel in wat is omschreven als de Scandinavische versie van Prousts Op zoek naar de verloren tijd.‘Wat ik probeerde, en wat misschien alle schrijvers proberen, wie zal het zeggen, was fictie met fictie te bestrijden. Wat ik zou moeten doen, was ja zeggen tegen het bestaande, [...] me uitleven in de wereld in plaats van naar een uitweg zoeken. Maar dat lukte me niet, dat kon ik niet.’

Deze vertwijfelde zinnen slaan toe halverwege de roman Vader van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård (1968). Ze komen als een verrassing. Tot dan heeft Knausgård de lezer meegenomen in een als autobiografie gepresenteerd verhaal over een opgroeiende jongeman in de jaren zeventig en tachtig in Noorwegen, van de fjorden in het eenzame noorden tot in Bergen en de hoofdstad Olso. De auteur figureert onder zijn eigen naam. Hij heeft zichzelf tot fictieve hoofdpersoon getransformeerd. Uit deze literaire ingreep komt de bovenstaande vertwijfeling voort: kan fictie de werkelijkheid weergeven? Waar ligt de grens tussen autobiografie en roman?

Vader opent met een even aangrijpende als indringende beschrijving van de dood, eerst in het algemeen, later spitst die beschrijving zich toe op de man naar wie het boek is genoemd, de vader. De oorzaak van zijn overlijden ligt in een fatale combinatie van zelfdestructie en alcoholisme. De heerszuchtige man is een hulpeloos wezen geworden. Hij kon drinken tot hij ‘stervensbezopen’ was, zoals Knausgård schrijft.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 9 december 2011, pagina 12 - 13. U kunt het hele artikel hier lezen.

    • Kester Freriks