Kunst is de huid van de wereld, altijd huiverend

De Franse schrijver J.M.G. Le Clézio stelde een expositie samen in het Louvre. Hij toont er vooral niet-westerse kunst. Ook opgepimpte auto’s kunnen een politiek statement zijn.

Onder de glazen piramide van het Louvre, precies in het midden van de grote hal, staat een gifgroene Chevrolet Monte Carlo uit 1979. Voor- en achterklep staan wijd open, de immense zijdeuren als vleugels uitgespreid. De prinsessestoeltjes binnenin zijn draaibaar, van groen fluweel en afgezet met glinsterende kralen. Het gevaarte staat een beetje op z’n kant, zodat iedereen de glimmende motor kan bekijken, de zilverkleurige leidingen, de ingenieuze constructie, waarvan iedere moer is aangedraaid door de Mexicaan Chino Vega.

Op uitnodiging van het Louvre stelde J.M.G. Le Clézio, de Franse Nobelprijswinnaar voor Literatuur in 2008, een tentoonstelling samen. Het werd geen verzameling van chique kunstvoorwerpen die tot de hoge cultuur worden gerekend, maar objecten en beelden uit allerlei culturen, zoals de auto, een ‘lowrider’ uit Mexico. De objecten hebben direct te maken met zijn literaire werk, met de realiteit van de underdog. Le Clézio schrijft, ook in zijn onlangs verschenen verhalenbundel Histoire du pied et autres fantaisies over jonge mensen en hun dromen, over steden en onbewoonde eilanden, over de zee en de woestijn. De schrijver ziet zichzelf meer als een nomade dan als een wereldreiziger. Hij zoekt naar een filosofisch evenwicht tussen natuur en cultuur. Zijn tocht voert langs oude mythen, vergeten sagen en vervlogen beschavingen. Hij trok mee met indianenvolken en woestijnbewoners, bestudeerde hun cultuur.

Vasthouden wat verdwijnt, toegankelijk maken wat eeuwigheidswaarde heeft – daarom schrijft Le Clézio over ‘littérature des origines’, laat hij in zijn literaire werk oude, oorspronkelijk orale teksten uit de meest uiteenlopende culturen herleven: Tahitiaanse mythen, legenden uit de beschaving van de Cashinahua indianen, gezangen van het Aino-volk in Japan, een geschiedenis van Armenië. Zijn fascinatie strekt zich uit van de Berbervolken in Noord-Afrika via de voodoorituelen op Haïti tot de lowriders uit Mexico.

Lowriders, zo heten de Mexicaanse eigenaren van de Buicks en de Chevrolets die hun ziel en zaligheid leggen in het construeren en oppoetsen van de felgekleurde bakbeesten. Ze lijken in niets meer op de oorspronkelijke auto, zijn bont beschilderd, kunnen op drie wielen rijden en ter plaatse bokkesprongen maken. Het is een fenomeen uit de jaren vijftig, toen arme Spaanse en Mexicaanse jongens rebelleerden tegen hun negatieve criminele imago, tegen de discriminatie en de uitzichtloosheid. Die indrukwekkende metalen kastelen zijn niets minder dan een politiek en maatschappelijk statement, schrijft Le Clézio, het is kunst, een protest tegen de manier waarop hun eigen cultuur, die van hun voorouders, in stilte wordt gesmoord en zelfs vernietigd.

Haïti

Bij het binnenkomen van de tentoonstelling sta je recht tegenover Le serments des ancêtres, een metershoog schilderij van Guillaume Guillon-Lethière uit 1822, waarop de mulattenchef van Santo Domingo en de beroemde Haïtiaanse generaal Jean-Jacques Dessalines een alliantie aangaan om de Fransen van het eiland te verdrijven. Van Hector Hyppolite, de grootste Haïtiaanse schilder, hangt er Femmes aux oiseaux, waar ook de Franse surrealist André Breton verrukt van was: een schilderij ‘als een overweldigende vlaag voorjaar’, schreef hij. De andere Haïtiaanse schilderijen geven in felle kleuren spirituele taferelen weer, inheemse dansen, voodoorituelen, walvissen in zee, mensen in de jungle. Wie het over Haïti heeft, luidt een citaat van de Haïtiaanse schrijver René Depestre op de wand, heeft het over voodoo, „het eerste antwoord van mystieke aard op de ellende van de slavernij en het kolonialisme”.

Even verder draait een film van Camille Henrot, Coupé/Décalé uit 2009. Vanaf een met de hand van takken gebouwde toren springen jonge indianen de diepte in, met lianen aan hun enkels gebonden. Een initiatieritueel voor het bereiken van de volwassenheid, meldt de toelichting op het bordje. Bungy jumpen op zijn indiaans, denk je. Totdat je leest dat het een speciaal voor de toeristen georganiseerd evenement is dat de draak steekt met de westerse perceptie van oude culturen.

Even verderop ligt een aantal rechthoekige vloermatten afkomstig van de Vanuatu-eilanden, op traditionele wijze gevlochten door vrouwen die er hun financiële zelfstandigheid aan te danken hebben. Een ervan is gemaakt door een vriendin van Le Clézio, Matansué, die op Paaseiland woont en ook een rol speelt in zijn roman Raga. Er hangt ook een beroemd zelfportret van de Mexicaanse kunstenares Frida Kahlo, over wie Le Clézio eveneens een roman schreef.

Le Clézio heeft zich altijd fel verzet tegen de hiërarchie die men in het Westen aanbrengt in de kunsten, als zou de schilderkunst bijvoorbeeld hoger op de ladder staan dan de kunst van het weven. In 1971 schreef hij in zijn boek Haï uitermate kritisch over musea, over westerse schilderkunst: „Waar dienen ze toe, die beeltenissen zonder reliëf, zonder beweging, zonder geur, die naakte vrouwen, dat fruit, die bloemen? Ze getuigen slechts van de onmacht van het individu en zijn angst voor de dood.”

Nog steeds verwerpt Le Clézio de hiërarchie van culturen als een ongezond en gevaarlijk idee dat de kolonisatie rechtvaardigde en de suprematie van één cultuur boven de andere bevestigde. Daarmee moet het, aldus Le Clézio, afgelopen zijn, en precies daar ligt de taak van musea. Bij kunst gaat het niet om rangorde, waarde of om een causale relatie, maar om „referenties, interferenties, ontmoetingen, kruisingen, mengvormen”. Alles heeft, binnen het geheel, zijn belang. „Nu eens is het kunst, dan weer ambacht. Wij zijn maar voorbijgangers in de tijd.”

Godin

De mooiste stukken op zijn expositie zijn wel de twee vrouwelijke hoofden. Het ene is een Grieks hoofd van de godin Athene met helm, van ongeveer 470 voor Christus. Het ander een vrouwelijke kop uit het Nigeriaanse koninkrijk Ifé, stammend uit de veertiende of vijftiende eeuw. Twee expressieve gelaatsuitdrukkingen, twee topkunstenaars. Een westerse archeoloog was zo onder de indruk van de ontdekking van het hoofd in Nigeria, dat hij er het bewijs in zag dat de Grieken ook in West-Afrika waren geweest. Een Engelse antropoloog vermoedde een band met de Egyptenaren, die vergelijkbare kunst maakten. Noch het een noch het ander bleek het geval. „Het veronderstellen van verwantschap is altijd gevaarlijk”, schrijft Le Clézio, „maar waar het om gaat is het bestaan van totaal verschillende technieken en concepten, van het grootste realisme tot de uitdrukking van magie en verbeelding, op verschillende momenten in de tijd. Kunst is de huid van onze wereld, altijd levend en huiverend. Soms moet ze een harnas aandoen om haar bestaansrecht te verdedigen.”

Musée du Louvre: Le Musée monde, 3 nov - 6 februari. Inl. louvre.fr. J.M.G. Le Clézio: Histoire du pied et autres fantaisies. Uitg. Gallimard.