Hoe intiem durf je te zijn

Instant filosofie. Toneelmaakster Laura van Dolron beweert dat ze ons dat met haar voorstellingen aanbiedt. Ik zag haar vaak spelen, al vermoed ik dat zij liever heeft dat ik schrijf: ik zag haar vaak zijn.

Ze staat op het podium en ze vertelt over zichzelf, over haar verlangens, twijfels, sociale onhandigheid. Steeds weer. Aan cynisme doet ze niet, aan diepzinnigheid wel. Ongegeneerd past ze denkbeelden van bekende filosofen toe op zichzelf.

Instant? Natuurlijk niet. Ze schreef de teksten en studeerde ze in. Ze acteert dat die teksten ter plekke bij haar opkomen. Om dat zo goed mogelijk te doen, nam ze een dramaturg in de arm en een regiecoach. Soms schiet haar naturel spel tekort, maar dan verleidt ze haar publiek met haar ongekamde uiterlijk en haar gespeelde verlegenheid. Wij weten best dat ze deze voorstelling avond aan avond speelt, en toch denken we in ons achterhoofd: dit is geen personage, dit is Laura van Dolron zelf. Jong, grappig, lief. Ze roert in haar ziel. En wij roeren graag even mee.

Voor haar huidige voorstelling, Wat nodig is, nodigde ze toneelschrijver Oscar van Woensel uit. Hij doet hetzelfde als zij. Hij kijkt de zaal in en speelt een autobiografische monoloog. Hij was een poseur, bekent hij, oh, wat wás hij een aansteller. Anders dan zijn gastvrouw kan hij het zedepreken niet laten. Hij las de Frankfurter Allgemeine in de trein om interessant te doen en iedereen die de Frankfurter Allgemeine in de trein leest zit interessant te doen, suggereert hij bijvoorbeeld. Alsof hij ons betrapt.

Ach, Van Woensel, hou toch op. Als ik die krant lees, lees ik die krant. Omdat ik benieuwd ben wat erin staat. Verder nergens om.

Ik zie hem modderen en begrijp ineens de kracht van Van Dolron. Zij vertelt een persoonlijk verhaal (eerlijk of niet dat maakt me niet uit) en levert zich uit, inclusief haar gêne. Van Woensel geeft zich bloot (of doet alsof, ook dat kan me niet schelen) maar met behoud van zijn onderbroek. Zij is uit op intimiteit. Hij creëert afstand. Hij blijft de poseur.

Zeggen is durven en dat is lastig. Ook in museum de Hermitage, aan de Amstel in Amsterdam. In de tentoonstelling Rubens, Van Dyck & Jordaens zie ik geweldige schilderijen. Er is zestiende-eeuws surrealisme, zoals het Vogelconcert van Frans Snijders: een kring van krijsende vogels, gedirigeerd door een uil. Verf schopt herrie. Er is zestiende-eeuwse vertedering, zoals het roerende Familieportret van Anthonie van Dyck. Verf schiet vol. Maar in de bijschriften ontdoet het museum de schilderijen van vlees en bloed en gevoel. Steeds weer schept het op die bordjes afstand tussen de schilders en hun onderwerp.

Ik geloof er niets van. Ik sta voor De dronkaard. Joost van Craesbeeck schilderde het ergens tussen 1640 en 1649. Ik zie een gedrongen man. Hij houdt zijn glas omhoog en tuurt naar zijn drank. Het bijschrift put zich uit in vraagtekens. Wat betekent dit schilderij? Is het een zinnebeeld voor ‘De Reuk’? Voor ‘De smaak’ misschien? Voor de vergankelijkheid, dan?

Ja, dat zou het allemaal kunnen betekenen. Veel belangrijker is dat het schilderij met tijdloze accuratesse zichtbaar maakt hoe een schilder getroffen werd door de hartstocht van de zuipschuit.

Ik ken die blik, die houding, dat op ooghoogte geheven glas. Het is er allemaal nog. Ga maar kijken in het café. Of huur, of koop, of download de film Under the Volcano uit 1984. Daarin typeerde de filmer John Huston met precies die houding en die blik de aan mezcal verslaafde ‘consul’. Albert Finney promoveerde de film tot meesterwerk. Hij speelde die consul, de hoofdpersoon van de film en van de gelijknamige roman die schrijver Malcolm Lowry besloot met de hartverscheurende laatste zin: „Somebody threw a dead dog after him down the ravine.”

De geheven arm. Het strakke oog. De opgetrokken schouders. De aandacht waarmee Finney naar zijn glas kijkt, net als drie eeuwen eerder Van Craesbeecks dronkaard. Je ziet het ze doen. Je weet: deze mannen liefkozen de drank met hun blik. Ze genieten van de kleur, van het in de vloeistof brekende licht, van de belofte van de roes. De zuiplap is een romanticus. Hij dweept met de drank, stoppen is geen optie. Dat filmde John Huston, dat schilderde Joost van Craesbeeck.

    • Joyce Roodnat