Het risico van democratie

‘Regeringsleiders zijn financiële analfabeten. De meesten hebben geen flauw benul van markten, wat beleggers beweegt, hoe het noodfonds werkt. Zij zijn blinden.” Aldus vertrouwde een medewerker van „een premier die niet met naam genoemd wil worden”, aan Caroline de Gruyter toe in een Brusselse bar. Op 10 december, de dag na de laatste eurotop, stond het in de krant.

Geen wonder dat die ongenoemde premier niet genoemd wilde worden. Wie staat graag met zijn analfabetisme te kijk? Maar belangrijker is de vraag: als regeringsleiders al niets begrijpen van de crisis die zij geacht worden op te lossen, wat mogen we dan van de gewone man verwachten of – zo voeg ik hieraan toe – de gewone columnist?

Europa’s echte leiders, schrijft Caroline de Gruyter, zijn niet de regeringsleiders (hoewel zij een uitzondering maakt voor Luxemburgs premier Jean-Claude Juncker), maar hun financiële adviseurs, van wie slechts weinigen de naam kennen. Wordt Europa dus toch door technocraten geregeerd? Zo ja, hoe klopt dit dan met wat Luuk van Middelaar, rechterhand van Van Rompuy, enkele pagina’s verder in hetzelfde nummer van de krant schrijft: „Het toegenomen gewicht van de regeringsleiders in gemeenschappelijke kwesties is vooral een teken dat Europa, via de munt, in het hart van de nationale politiek is gekomen”?

Strikt genomen hoeft er geen tegenspraak te zijn tussen beide uitspraken, want ook als het om de nationale politiek gaat, laten de regeringsleiders zich omringen door een stoet van deskundigen. Zolang ze zich daar in het parlement niet op beroepen, maar doen alsof het hun eigen wijsheid is, is er niets aan de hand. (Minister Visser van Defensie beriep zich begin jaren ’60 wél op „mijn deskundige aantekeningen”, en was meteen zijn gezag, dat toch al niet groot was, kwijt.)

Niettemin is het waar dat Europa van het begin af aan grotendeels een zaak was van deskundigen of technocraten. Edmund Wellenstein, een van de laatste nog levende medewerkers van Jean Monnet, gaf dit onlangs zijdelings toe: „We vonden het – arrogant misschien – vanzelfsprekend. Het was toch een goede zaak om landen bijeen te brengen die twee wereldoorlogen lang tegen elkaar hadden gevochten? Dat is toch goed, dat hoef je toch niet te verdedigen?” (interview in Elsevier van 6 augustus).

Moeten wij degenen die zo dachten en handelden, daar alsnog een verwijt van maken? Nee. Laten we Nederland als voorbeeld nemen. In de jaren vijftig, toen Europa van start ging met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, gevolgd door de Europese Economische Gemeenschap, was het zuilenstelsel hier nog in volle kracht. Dat betekende dat de partijleden bijna blindelings de leiding van de respectieve partijen volgden. Als die leiding pro-Europa was – en dat was met de drie grote partijen het geval – waren de volgelingen dat ook.

In dit systeem is in de loop van de jaren zestig en zeventig de klad gekomen. De drie christelijke partijen verloren aan macht. Soms dramatisch: zo verloor de Katholieke Volkspartij tussen 1963 en 1971 bijna de helft van haar zetels. In de PvdA deed het rebelse Nieuw Links een greep naar de macht, waaraan Den Uyl zich niet helemaal wilde onttrekken. Eigenlijk bleef, van de drie grote partijen, de VVD het meest onberoerd.

Dit is het begin geweest van de vervreemding van de ‘basis’ ten opzichte van Europa, die uiteindelijk uitmondde in de winst van de openlijk anti-Europese PVV. In democratisch opzicht is er niets aan te merken op de emancipatie van de basis jegens de top. Het proces zelf is zelfs eerder toe te juichen, maar het resultaat van het proces is dat niet onvoorwaardelijk. Maar dit is nu eenmaal het risico van de democratie.

We kunnen het ook anders zeggen: met de instorting van het zuilenstelsel is de stabiliteit van de Nederlandse politiek verdwenen. In de crisis van de jaren 30 behoedde het – met Colijn als de ‘sterke man’, aan wie velen in tijden van crisis behoefte hebben – het land voor politieke avonturiers. In zekere zin is Wilders het resultaat van de instorting van het zuilenstelsel – die de seculiere partijen, socialisten en liberalen altijd nagestreefd hebben. Het proces was goed, misschien zelfs onvermijdelijk, het resultaat minder.

Nu verzet de basis zich ook tegen wat de technocraten, in Brussel of elders, bekokstoven. Is dit ondemocratisch? Nee, maar het kan wel kapot maken wat sinds 1950 bereikt is. „Het resultaat is dat de kritische denker zich afvraagt of een democratie die tot dergelijke uitwassen leidt, eigenlijk nog wel het beste systeem is, omdat hij er geen greep op heeft”, schrijft Nelleke Noordervliet in Trouw van 10 december. Met ‘hij’ is kennelijk de kritische denker bedoeld, maar er zijn ook vrouwen die kritisch denken. Nelleke Noordervliet zelf bijvoorbeeld.

„De uitkomst van de crisis wordt uiteindelijk bepaald door het politieke vermogen om de publieke opinie te overtuigen”, zegt Van Middelaar, die het debat ziet „als een juist toejuichenswaardige ‘europeïsering van de nationale politiek’”. Dus ook wanneer de publieke opinie niet te overtuigen is, zoals bij het referendum van 2005?

    • J.L. Heldring