Het is de hoogste tijd voor een plan B: banenplan Nederland

De stenen wenen. Het asfalt lonkt. De economie krimpt, de crisis is onder ons.

Tijd voor een banenplan. Plan B. Maar hoe?

In de economische studieboeken is het simpel. Tijd voor openbare werken! Bouw en verbeter de infrastructuur: wegen, spoorlijnen, fietspaden, nieuwe polders, een vliegveldeiland voor de kust.

Tijd voor een glansrol voor VVD-minister Melanie Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu. Haar agenda slibt al vol. Vandaag was zij in Almere om te praten over wegen en spoor. Vorige week sloot zij een akkoord met bestuurders in Den Haag, Rotterdam en op de Maasvlakte voor drie projecten ter waarde van samen 2,7 miljard euro. Daarvan betalen automobilisten de komende jaren 545 miljoen euro zelf door tolheffing op twee van de nieuwe wegen.

Gisteren begon de minister met de verbreding van een cruciale toegangsweg naar de Maasvlakte, een project van 1,5 miljard euro dat is uitbesteed aan een consortium van vier bouwers. Zij ontwerpen, bouwen, financieren én onderhouden het project gedurende 25 jaar. De overheid hoeft niet in een keer te betalen, maar kan in termijnen afrekenen.

De initiatieven gaan de goeie kant op, maar missen nog de radicaliteit in crisistijd. Er liggen twee kansen door combinatie van tol en uitbesteding aan bedrijven.

De eerste kans is radicaal klassiek. De Agent van Financiën verkoopt wat extra staatsobligaties aan internationale beleggers. De rente op Nederlands staatspapier is historisch laag. Met de extra opbrengsten van zomaar enkele miljarden euro financiert Schultz van Haegen samen met het bedrijfsleven een investeringsoffensief voor de infrastructuur.

Waarom infra? Het is allereerst een klassieke overheidstaak. Niemand anders doet het. Twee: verbeterde infrastructuur smeert de bedrijvigheid. En drie: de investeringen moeten terechtkomen bij Nederlandse gezinnen. Bij de aanbesteding moet de overheid minder letten op de prijs en meer op de paspoorten. Eigen asfaltleggers eerst. Geld dat hier wordt verdiend, wordt hier weer uitgegeven.

De tweede kans is radicaler met meer winstperspectief. De minister verhuurt (een deel van) het rijks snelwegennet aan een exploitant, bijvoorbeeld een professionele belegger die tol mag heffen. In Italië, Spanje en Frankrijk al heel gewoon. De exploitant betaalt een bedrag, zoals de Nederlandse Spoorwegen betalen voor de concessie om over de hogesnelheidslijn en het intercitynet te rijden. Zo’n rijkswegenconcessie levert extra inkomsten op.

De inkomsten nemen rap toe bij een variant hierop. Het rijk verkoopt het snelwegnet aan een exploitant die tol heft, maar ook het onderhoud betaalt. De overheid kan blijven profiteren door zelf ook aandelen te nemen in deze exploitant. Wie willen investeren? De grote pensioenfondsen zitten te springen om projecten met een stabiel rendement dat de inflatie bijhoudt. Hoeveel is het snelwegnet waard? Dertig miljard euro?

Natuurlijk, de automobilist betaalt extra. Het vrijetijdsverkeer is een kilometervreter, dus als hogere prijzen dat ontmoedigen scheelt dat weer files. Ja, de auto is een heilige koe. Maar ook heilige huisjes komen aan de beurt, zegt vicepremier Maxime Verhagen (CDA). Ook de heilige koe is de klos. Koppel het maar aan een maatregel die ‘linkse’ huisjes treft.

Is het niet oneerlijk, tol heffen op een weg die de belastingbetaler ook al heeft betaald? Op de spoor betaalt de reiziger ook twee keer: voor de concessie van een trein die over rails rijdt die hij heeft betaald.

Crisis? Da’s dubbel dokken. Dat wordt de nieuwe norm.

menno tamminga