Er komt een moeilijke tijd aan. Maar er zijn wel manieren om die crisis te overleven

Wie aan de slag kan moet elke baan aanpakken, zei minister Kamp gisteren in de Tweede Kamer. En met reden: de werkloosheid valt nog mee, maar dat gaat waarschijnlijk niet lang meer duren. Kunnen Nederlanders echte moeilijkheden eigenlijk nog wel aan? Voor een kapotte auto bellen we de ANWB en voor losliggende stoeptegels een speciaal gemeenteloket. Maar de kans is groot dat we weer meer voor onszelf zullen moeten zorgen. En dan kunnen wij, gepamperde West-Europeanen, nog heel wat leren van Oost-Europa. Daar heeft bijvoorbeeld iedereen een moestuin.

Rotterdam 2006 Volktuincomplex Feijenoord. Foto: Walter Herfst

De economische crisis? Jos van der Veen heeft er het antwoord al op gevonden.

Achter zijn huis, in de stad Groningen, heeft hij een grote tuinkas neergezet. Met tomaten, komkommers, pompoenen, paprika’s, kruiden, druiven, cranberry’s, sla, kool en aardappelen. Op het dak van de woning schittert een rijtje zonnepanelen. Hier en daar lopen kippen rond.

„Wij hebben al ons spaargeld opgenomen, nu het nog wat waard is, en hierin gestoken”, zegt Van der Veen, treinmachinist van beroep. „Als het straks misgaat, heb je geen geld nodig, maar energie en voedsel.” En vervoer. Van der Veen is al in de weer met een auto – hij wil er een elektrische van maken.

Jos van der Veen is, kortom, voorbereid. Laat die crisis maar komen.

Overdreven? Misschien. Aan de andere kant: de Nederlandse economie krimpt, de werkloosheid neemt toe, doemdenken is de nieuwe volkssport en zelfredzaamheid is de nieuwe mantra van de regering. Nederland is een rijk land, een beetje crisis kan het wel aan, maar de komende jaren wordt het welvaartsniveau naar verwachting structureel lager. De staat is geen geluksmachine. Citaat van premier Rutte zelf.

Wen er maar vast aan.

Dat is ook de boodschap, of eigenlijk de waarschuwing, van de Russische Amerikaan Dmitry Orlov. In zijn onlangs ook in het Nederlands verschenen boek De Val van Amerika, dat de aanstaande ineenstorting van de Amerikaanse samenleving beschrijft, betoogt hij dat de persoonlijke situatie van burgers direct erna in veel opzichten zal lijken op het leven in Rusland na de val van de Sovjet-Unie en van de roebel. En dat we daarvan kunnen leren hoe ons het beste voor te bereiden.

Natuurlijk, zegt Orlov, is het fijner om te douchen (al dan niet met regenwater dat door een zonneboiler is verwarmd) dan „te stinken als een bunzing”. En een zonnepaneel en batterij zijn een goed idee voor wie ’s avonds graag nog wat leest. Maar probeer deze dingen niet als noodzakelijke behoeften te zien, slechts als luxe.

Hierover nadenken, op dit moment, is niet voorbarig, zegt Orlov, die zijn appartement in Boston inmiddels heeft ingeruild voor een boot met zonnecellen. Want wie nu alvast bedenkt wat hij straks kan verliezen, bespaart zichzelf later een zenuwinzinking. En dat maakt het leven per saldo een stuk aangenamer en jou als individu nuttiger.

Zonder zijn Oost-Europese achtergrond had Orlov dit boek nooit geschreven. Ook binnen de EU hielden juist Oost-Europese lidstaten zich in de afgelopen crisisjaren opvallend goed staande: Polen wist economische krimp te voorkomen, Estland en Slowakije haalden ondanks alle tegenspoed hun euro-examen en Letland herstelde zich van een diepe crisis na snoeiharde bezuinigingen. Grote sociale onrust, zoals in Griekenland en Spanje, bleef uit in de regio.

Toegegeven: die lidstaten kregen Europees geld en hebben een kleine financiële sector en minder spaargeld – dus ook minder te verliezen. Niettemin speelde zelfredzaamheid daar een belangrijke – en door economen vaak onderschatte – rol bij het doorstaan van de storm. De gepamperde West-Europeaan die nu in paniek dreigt te raken kan daarom veel van het nabije Oosten leren.

„Door onze communistische ervaring hebben we weinig vertrouwen in de overheid”, zegt parlementariër Ojars Kalnins, die jarenlang het intussen deels wegbezuinigde promotiebureau (Latvia Institute) van de Letse overheid leidde, telefonisch. „Elke Let heeft wel een moestuin.”

Kalnins heeft nog wel wat survivaltips voor de bezorgde westerse stedeling. Zoals: investeer meer tijd in je familie, zeker die buiten de stad. Het platteland is belangrijk voor voedsel en fysiek welzijn, maar ook voor gemoedsrust, zegt hij. „Weg van de zorgen, weg van het nieuws.”

De belangrijkste tip: help jezelf vooral, niet uit egoïsme, maar juist in het belang van anderen. „Zoals je ook in een vliegtuig eerst je eigen zuurstofmasker moet opdoen en dan pas dat van je kind of buurman.”

Een rare manier om naar de maatschappij te kijken? Voor de gemiddelde Hollander wel: dankzij de verzorgingsstaat is dat immers decennia lang niet nodig geweest. Verzorging, het woord zegt het al. Voor een kapotte auto is er de ANWB, voor een losliggende stoeptegel een speciaal gemeenteloket en voor een verloren baan een reïntegratietraject.

„Zelfredzaamheid begint met het besef dat niets vanzelfsprekend is”, zegt treinmachinist Van der Veen. „Ik heb genoeg geld om stroom te blijven kopen – dat is het probleem niet. Maar ik wil gewoon minder afhankelijk zijn van grote bedrijven. Nu zit ik nog in de luxepositie dat ik daarvoor kan kiezen. Straks misschien niet meer.” De crisis inspireerde Van der Veen maar ten dele. Het is volgens hem gewoon een kwestie van gezond verstand: de olie- en gasvoorraden op de wereld zijn niet eindeloos.

Dat de zelfgekweekte krop sla door zijn landgenoten niet als noodzakelijke levensverzekering wordt gezien, blijkt wel bij een rondgang langs moestuincomplexen – niet te verwarren met door sierbloemen en ligstoelen gekenmerkte volkstuinen. Bijvoorbeeld het Amsterdamse moestuincomplex De Vijf Slagen. Er lopen maar weinig autochtone Nederlanders rond. Wel tientallen verschillende andere nationaliteiten. Zij verbouwen hier allerlei groentes. Exotische, zoals kousenband of sopropo. Omdat ze hun eigen, culinaire tradities hoog houden. Maar ook omdat het gewoon goedkoper is. „Een broccoli kost 2 euro”, zegt Surinamer Oer Tas. „Als ik die hier kan kweken, scheelt dat dus 2 euro.”

De vijftiger besloot vorig jaar een moestuin te huren, in verband met, inderdaad, je weet maar nooit. „Het groeit vanzelf. Het afgelopen jaar heb ik geen uien of aardappelen hoeven kopen. En je leert van de buren. Zo nu en dan ruilen we wat.”

Ook in het nutstuinencomplex op de Rotterdamse Heijplaat gaan discussies vaker over het maximaliseren van de oogst per vierkante meter, zegt Radjes Krsna Das-Koendjbiharie (37), geboren in India. Of over de aanschaf van een extra vriezer, om groente in te bewaren. Ook hier geldt: het zijn vooral allochtonen die zich over dit soort zaken druk maken.

„Wij zijn hier te veel luxe gewend”, zegt Das-Koendjbiharie, die elektrotechnicus is. „Uit eten, stappen en het geld is weg. Als je in India een riksja hebt en je wordt ziek, moet je toch op de riksja zitten. In Nederland kun je zelfs nog steeds geld sparen als je een uitkering hebt. Je koopt gewoon een grote zak rijst bij de toko en daar doe je dan een maand mee.”

Zijn survivaltip: kijk goed wat anderen kunnen en probeer gunsten met elkaar te ruilen, zonder dat er geld aan te pas komt. „Ik doe de elektra in het huis van een vriend en hij installeert een cv-ketel bij mij.” Dan moet je dus wel wat kunnen. Maar ook dat kun je leren. Das-Koendjbiharie huurde zijn kas op de Heijplaat om tropische stekjes te leren kweken, die hij te koop aanbiedt op internet.

Komen we er, met deze adviezen uit landen en culturen die meer gewend zijn hun eigen boontjes te doppen? Zitten we straks gebakken als we nu ons spaargeld in kweekgoed, gereedschap en praktische cursussen steken, onze vaardigheden delen met onze vrienden en niet meer de baas of de overheid aankijken als het leven even niet meezit?

Dat ligt eraan wie ‘we’ zijn, zegt SER-kroonlid Hans Kamps, tevens actief PvdA’er, voorzitter van de vakbond voor uitzendorganisaties en van een kenniscentrum voor jonggehandicapten. De mensen die zelfredzaamheid belangrijk vinden, zijn het zelf opvallend vaak al, zegt hij. Kamps maakt zich veel meer zorgen over de grote groep mensen die zonder hulp van buitenaf nooit de eerste drempel overkomt. „Mensen die twintig jaar in de metaal hebben gewerkt, of in de horeca. Die ontslagen worden en denken: wat moet ik?”

Wil je dat zij zelfredzaam worden, dan moeten ze zich kunnen om- of bijscholen, ook of juist als het economisch slecht gaat, zegt Kamps. En op dat soort zaken wordt nu óók bezuinigd, door datzelfde kabinet dat zelfredzaamheid propageert. „Je kunt wel zeggen: laat ieder individu op zijn fiets alle bedrijven in de buurt afgaan en vragen om een baan, maar dat is niet erg realistisch.”

Terug naar Groningen, naar de moestuin, zonnepanelen en kippen van Jos van der Veen. Onder het toenemend aantal doemdenkers in Nederland dat al dan niet bij een goed glas wijn praat over een mogelijke economische apocalyps, de dag dat er als het ware geen geld meer uit de muur komt, is de treinmachinist een van de weinigen die daad bij woord voegde. Eerder ondanks, dan dankzij de regering, zegt hij.

„Zelfredzaamheid wordt in Nederland niet aangemoedigd”, zegt Van der Veen. „Je krijgt er als burger de ruimte niet voor, er zijn zo veel regels, er is zoveel bureaucratie. Je wordt gewoon tegengewerkt.” In Duitsland gaat dat volgens Van der Veen heel anders. Daar zijn zonnepanelen dankzij gunstige wetgeving bijvoorbeeld razend populair geworden. „Ga de grens over en je ziet meteen het verschil. Ze zijn daar dertig jaar verder dan wij.”