Elegie voor Jane

Onlangs publiceerde ik in deze rubriek het gedicht My Papa’s Waltz van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke (1908-1963). Over een halfdronken vader die een ruw dansje met zijn zoontje maakte. Een controversieel gedicht. Was het kindermishandeling of iets te ruwe tederheid? Ik hield het op het laatste, al durfde ik er mijn hand niet voor in het vuur te steken.

Een attente lezer stuurde me enkele oude filmpjes uit VPRO’s Dode Dichters Almanak, de tv-reeks van Hans Keller. Daarop las Roethke onder meer My Papa’s Waltz voor. Hij deed voor hoe hij op de laarzen van zijn vader ging staan, hoe ze dan dansten en hoe zijn vader erbij floot. Het tafereel ademde beslist geen sfeer van mishandeling.

Op een ander filmpje las Roethke zijn gedicht Elegy for Jane (My student, thrown by a horse) voor, nu ernstig gezeten in een fauteuil en met enige plechtigheid declamerend. Het gedicht zelf is ook niet van pathos vrij, zodat maar weer eens blijkt dat dichters niet altijd de beste voorlezers zijn van hun werk.

Onderin beeld verscheen de vertaling van Rudy Kousbroek – Elegie voor Jane (mijn studente, van haar paard gevallen) – die ik hieronder voor het eerst in druk overneem.

Het origineel van Roethke is via Google gemakkelijk op internet te vinden.

Ik zie nog haar nekkrullen, slap en vochtig als hechtranken;

en haar snelle blik, een zijdelingse snoekbaarsglimlach;

en hoe, van de schrik eenmaal aan de praat, de lichte lettergrepen voor haar dansten,

en hoe zij zich wiegde in haar denkgenot,

een winterkoninkje, blij met de staart in de wind,

terwijl haar lied twijgjes en takjes deed trillen.

Het lommer zong met haar mee;

de bladeren, hun fluisteren ging over in kussen,

en schimmel zong in de gebleekte kuilen onder de roos.

O, als ze bedroefd was wierp ze zich in zo’n pure diepte,

zelfs een vader kon haar niet vinden:

haar wang tegen stro schurend,

beroerend het helderste water.

Mijn mus, je bent niet hier,

wachtend als een varen, een doornige schaduw makend.

De kanten van natte stenen kunnen mij niet troosten,

noch het mos met het laatste licht omwonden.

Kon ik je maar uit deze slaap porren,

mijn verminkte lieveling, mijn ongrijpbare duif.

Over dit vochtig graf spreek ik mijn woorden van liefde:

ik, zonder rechten in deze zaak,

noch vader noch minnaar.

Ook over dit gedicht verschillen de Roethke-lezers van mening. Gaat het over een docent – Roethke was zelf universitair docent – die zijn verzwegen seksuele verlangens naar een verongelukte studente uitspreekt? Of dicht hier een man die louter bedroefd is om een leven in de knop gebroken?

Een Engelse hoogleraar zei over dit gedicht tegen zijn studenten: „Mogen we dol zijn op onze studenten? Ja. Mogen we genieten van hun gezelschap? Ja. Maar in geen enkel opzicht mogen we voor hen gevoelens van liefde ontwikkelen, wat dat ook moge zijn, want wij zijn plaatsvervangende ouders zolang jullie hier les krijgen.”

Misschien wilde Roethke dat juist aan de orde stellen, analyseert een lezer op internet: het feit dat emotionele banden tussen student en docent verboden zijn, zodat hij vader noch minnaar kon zijn – hij had eenvoudig niet het recht om deze studente lief te hebben.

    • Frits Abrahams