Dik doen met een Romeinse villa

Oude elites en nouveaux riches gingen in de Ijzertijd stenen villa’s bouwen, naar Romeins voorbeeld. Ook de gewoonte slaven te houden, namen zij over.

„Een landschap dat ineens bezaaid raakte met rode daken.” Zo’n indruk moeten de bewoners van de gebieden ten noorden van de Alpen in de eerste eeuw hebben gehad, zeggen archeologen Nico Roymans en Ton Derks van de Vrije Universiteit. De komst van de Romeinen zorgde voor drastische veranderingen in het landschap. Er kwamen niet alleen legerplaatsen en steden, maar ook geromaniseerde landbouwbedrijven, minstens één per vierkante kilometer. Deze landbouwbedrijven staan bekend als villa’s en kenmerkten zich door een stenen hoofdgebouw met een porticus en een dak met rode dakpannen. Binnen waren ze voorzien van wandschilderingen, mozaïeken en vloerverwarming.

Archeologen hebben zich lange tijd vooral geconcentreerd op een beschrijving van die hoofdgebouwen. Morgen presenteren hoogleraar Roymans en universitair docent Derks de door NWO gesubsidieerde bundel Villa Landscapes in the Roman North, waarin ze met (internationale) collega’s ingaan op de sociale, economische en culturele achtergronden van het ontstaan van de Romeinse villalandschappen.

„Voor archeologen is het lastig om aan de hand van huisplattegronden statusverschillen in de IJzertijd te ontdekken. Voor de komst van de Romeinen had iedereen min of meer hetzelfde houten huis,” zegt Roymans. Dat verandert in de Romeinse tijd: er ontstaat een lucratieve markt voor landbouwproducten, waarop oude aristocratische elites, maar ook nieuwelingen hun slag slaan. „Geïnspireerd op de Romeinse architectuur van stadswoningen gaan de oude elites en de nouveaux riches hun rijkdom en status tonen door middel van stenen villa’s op het platteland.”

Die villa’s hebben net als de Romeinse landhuizen in Italië wandschilderingen, een porticus, centrale verwarming en een siertuin. „Maar ze zijn niet hetzelfde,” zegt Derks. „Ze bestaan uit elementen van de Romeinse architectuur.” Zo verschijnen er in Frankrijk, Zwitserland en Duitsland symmetrisch en langs een as gebouwde villa’s, met een statig hoofdgebouw en bijgebouwen rond een hof. „De villa van Reinheim in de Duitse deelstaat Saarland is een mooi voorbeeld. Zo’n villa vind je niet in Italië.”

Het geld dat met de landbouwbedrijven werd verdiend, stelde de eigenaren in staat om in het bestuur van een stad en het omliggende gebied te komen. Derks: „Volgens de Romeinse wet kwamen alleen mensen met een bepaald vermogen in aanmerking voor bestuursfuncties.” Bestuurders waren echter wel verplicht aanwezig te zijn in de stad en dus daar ook te wonen. Om hun status te tonen en hun naamsbekendheid te vergroten, besteedden ze een deel van hun geld in die stad aan spelen of openbare werken als thermen. „Maar ze vergaten hun achterban op het platteland niet, zie de inscripties op bronzen plaatjes die in de villa van Valkenburg-Ravensbos in Zuid-Limburg zijn gevonden. Hieruit blijkt dat ene T. Tertinius, magistraat van Xanten, met enige regelmaat honderd kilometer reisde om in zijn villa zijn clientèle te ontvangen en te helpen.”

Tot nu toe hebben archeologen de bijgebouwen van villa’s weinig onderzocht. „Het is belangrijk om dat in de toekomst wel te doen,” stelt Roymans. De weinige plekken waar het wel is gebeurd, zoals de villa van het Zwitserse Liestal-Munzach, leveren bijvoorbeeld aanwijzingen op voor het gebruik van slaven. „Historici zeggen dat slavernij in de hoogste Romeinse kringen geen ongewoon verschijnsel was. Zonder te beweren dat zo’n villa volledig op slavenarbeid steunde, maken vondsten als boeien, en grafinscripties voor vrijgelaten slaven duidelijk dat de elite ten noorden van de Alpen soms ook slaven hield. In de bijgebouwen waren haardplaatsen aanwezig. Dat betekent dat er werd gewoond. En het is een aanwijzing dat de bewoner in het hoofdgebouw (fysieke) macht had over zijn arbeiders.”

Eind derde eeuw kwam er een einde aan het villalandschap, zeggen Roymans en Derks. „Families trokken door onrusten in dit deel van het Romeinse rijk weg. Villa’s en omliggende grafmonumenten werden verwoest en het gebied veranderde in een ruïnelandschap. Vanaf de Renaissance, toen stedelijke patriciërs door het classicisme geïnspireerd raakten en op het platteland landhuizen lieten bouwen, ontstond er weer een nieuw villalandschap.”

    • Theo Toebosch