De nieuwe klassiekers

In het boek Defining Contemporary Art noemen acht toonaangevende curatoren de beste kunstwerken van de afgelopen 25 jaar. Eén ontwikkeling wordt door de auteurs op de achtergrond gehouden: de toenemende macht van de kunsthandel.

Hoe schrijf je tegenwoordig kunstgeschiedenis? We bladeren door de inhoudsopgave van Defining Contemporary Art – 25 years in 200 pivotal artworks (tweeënhalve kilo, duizend afbeeldingen) en krijgen meteen een schok. De haai van Hirst staat er niet in! Hoe kan dat nou? Het symbool voor de kunst uit de jaren negentig, de haai op sterk water die op een gegeven moment even hard kromp als Hirsts roem steeg en vervolgens in gerestaureerde vorm alsnog 8 miljoen dollar opbracht. Ontbreekt die in een boek over de kunst van de laatste 25 jaar?

Snel wat andere beroemde Young British Artist-werken opgezocht. Tracey Emins My bed (haar eigen bed beslapen en ‘gebruikt’, inclusief afgewerkt condoom en lege wodkafles) – niet. Marc Quins Self (zijn hoofd, volledig opgetrokken uit zijn eigen bloed)? Afwezig. Aan de andere kant: Sarah Lucas’ vroege, geweldige Au naturel (het portret van twee bejaarden in de vorm van een uitgeleefd matras, een emmer, twee meloenen, twee sinaasappels en een komkommer) krijgt wel een uitgebreide, lovende bespreking, net als Chris Ofili’s ‘schilderijenkapel’ The Upper Room en vroege werken van onder anderen Steve McQueen, Yinka Shonibare en Rachel Whiteread. En zie, Hirst doet wel degelijk mee: hij wordt vertegenwoordigd door A Thousand Years, de installatie waarin een bloedende koeienkop, een nest levende vliegen (die zich voeden met het bloed) en een dodelijke vliegenlamp de levenscyclus verbeelden – zijn doorbraakwerk. Is dat dan het criterium waarop de acht samenstellers hun hedendaagse canon selecteerden? Doorbraak? Vernieuwing?

Op dat moment wordt het interessant. Want als de kunst van de afgelopen 25 jaar door één ding werd getypeerd, dan was het precies de vraag of dat nog wel mogelijk was, artistieke vernieuwing. Twintig jaar geleden riep de filosoof Arthur C. Danto het einde van de kunstgeschiedenis uit en in het spoor daarvan raakten velen ervan overtuigd dat de kunst aan zijn einde was gekomen – alles was gedaan, de kunst was veroordeeld tot een herhaling van zetten, variaties op een thema.

Avant-gardes bestonden niet meer, iedere kunstenaar, curator, criticus moest voortaan zijn eigen weg zoeken door alle hedendaagse kunstwerken, die ook nog eens als een fragmentatiebom over de aarde uiteen waren gespat. Hippe, belangrijke, nieuwe kunst kon vanaf nu zomaar overal opduiken, op elke plek, in elke vorm. ‘Grote artistieke verhalen’ bestonden niet meer.

Zo bezien is Defining Contemporary Art niet eens een heel bijzonder statement: een kunstgeschiedenis die nadrukkelijk geen kunstgeschiedenis wil zijn – en het daarom juist wel is. Het uitgangspunt van het boek is bijna pijnlijk simpel: uitgeverij Phaidon vroeg acht toonaangevende curatoren (onder wie Bice Curiger, samensteller van de laatste Biënnale van Venetië, Okwui Enwezor, Daniel Birnbaum en de onvermijdelijke Hans Ulrich Obrist) om ieder 25 werken uit de laatste 25 jaar te selecteren (niet noodzakelijkerwijs een per jaar) waarbij ze de stelregel After this, everything changed hanteerden.

Hoe eenvoudig dat ook klinkt, er zitten aan dat eenvoudige uitgangspunt opvallend veel voordelen. Allereerst doet die schijnbaar lukrake combinatie van acht verschillende voorkeuren goed recht aan de niet-lineaire ontwikkeling van de recente kunstgeschiedenis. Dat wordt versterkt doordat geen poging wordt gedaan alsnog allerlei grote lijnen aan te brengen; de nadruk wordt gelegd op de afzonderlijke verhalen van de jaren, werken en kunstenaars. Zo voert het boek je van onbetwiste klassiekers als Jeff Koons’ Rabbit en Olafur Eliassons The Weather Project naar werken als Micol Assaëls Chizhevsky Lessons (2007) of Sleeping Hermaphrodite (2010) van Barry X Ball – waar je nooit van had gehoord maar waarvan je, na lezing, best meer wilt weten.

Commercie krijgt straf

Belangrijker is echter dat het boek, al dan niet bewust, wel degelijk een inhoudelijk statement maakt. Eén cruciale ontwikkeling van de laatste 25 jaar wordt door de auteurs namelijk nadrukkelijk op de achtergrond gehouden: de toenemende macht van de kunsthandel. Dat valt pas op als je bedenkt waarom Hirst en zijn haai er niet in staan: kunstwerken die (vooral) uit commerciële overwegingen lijken te zijn gemaakt worden genegeerd. Geen haai dus , Hirsts diamanten schedel niet, en ook Takashi Murakami, de ‘Japanse Warhol’, die tegenwoordig een productielijn van kunstwerken beheert waar menig fabriek jaloers op zou zijn, ontbreekt. Soms lijken die omissies venijnige steken onder water te bevatten, bijvoorbeeld in het geval van Anish Kapoor, die jarenlang is beschouwd als een toonaangevend kunstenaar maar die hier toch ontbreekt – ongetwijfeld een ‘straf’ voor het feit dat hij zijn sublieme, efemere beelden tegenwoordig uitpoept alsof het drollen op de kermis zijn.

Defining Contemporary Art laat zich zo evengoed lezen als een verdediging van de ‘oude’ avant-gardistische waarden in de kunst, voor kunst als plek waar het onverwachte, het pijnlijke en het confronterende kan heersen en tegelijk een statement tegen de vercommercialisering die kunstenaars aanzet tot het produceren van overzichtelijke en herkenbare werken zoals de kunsthandel het graag ziet.

Zo krijg je al lezend wel het gevoel dat de acht een punt hebben – al besef je ook dat er, door dat eigenbelang, heel wat werken in het boek staan die het nooit tot klassieker zullen schoppen; die lijken vooral te zijn opgenomen uit een overijverig streven het avant-garde-idee vast te houden. Maar juist die half openlijk uitgevochten strijd maakt het boek fascinerend, ook omdat het laat zien dat juist de kunstenaars die niet snel proberen te scoren, die een oeuvre opbouwen, die grenzen aftasten en voor de troepen uitlopen op termijn – jawel – ook commercieel aantrekkelijker worden.

Dat geldt vooral voor de vroegste periode uit het boek: daar zitten opvallend veel werken bij die ooit werden bedacht en gemaakt door kunstenaars die als tegendraads, opstandig en onbegrijpelijk golden (Fischli en Weiss, Matthew Barney, Paul McCarthy) maar die tegenwoordig de top van de kunstmarkt vertegenwoordigen.

Het mooiste wordt dat mechanisme zichtbaar in Gerhard Richters October 18, 1977. Deze serie van vijftien schilderijen over de Baader-Meinhofgroep leidde, toen ze in 1988 voor het eerst in Duitsland werd geëxposeerd, tot onrust en onbegrip – het feit dat de beruchtste terroristen uit de naoorlogse geschiedenis van het land het onderwerp werden van een grootse reeks kunstwerken, bracht Duitsland collectief in verwarring. Die werd zelfs zo groot dat de doeken uiteindelijk na veel getouwtrek in het New Yorkse MoMA belandden, terwijl iedereen heel goed besefte dat ze in Berlijn of München veel beter op hun plaats waren geweest. Tegenwoordig zijn de doeken zo beroemd (en de 79-jarige Richter is intussen de duurste levende schilder) dat je kunt wachten op het moment waarop er in Duitsland alsnog een hartstochtelijk debat uitbreekt om de serie terug naar ‘huis’ te halen. Zo laat dit boek overtuigend zien dat goede kunst de maatschappij confronteert met zaken waarvan ze aanvankelijk weinig wil weten, maar die uiteindelijk de kern van de geschiedenis en het denken raken. Dat is vaak kunst waarvan je even moet slikken. Defining Contemporary Art is de moeite van het doorbijten waard.

Daniel Birnbaum, Connie Butler et. al: Defining Contemporary Art – 25 years in 200 pivotal artworks. Uitg. Phaidon, 480 blz. € 59,-

1 Luc Tuymans Gas Chamber 1986
2 Jeff Koons Rabbit 1986
3 Fischli en Weiss Der Lauf der Dinge 1987
4 Gerhard Richter October 18, 1977 1988
5 Alighiero Boett Map 1989
6 Damien Hirst A Thousand Years 1990
7 Matthew Barney Cremaster 4 1994
8 Maurizio Cattelan Him 2001
9 Olafur Eliasson The Weather Project 2003
10 Ai Weiwei Fairytale 2007
    • Hans den Hartog Jager