De Bijbel van Kama

The Holy Kama bevat Kamagurka’s beste tekeningen van de afgelopen tien jaar. „Ik kijk niet graag terug, dat vind ik een helse opdracht”, zegt Luc Zeebroek, de man achter Kamagurka.

Grinnikend loopt Luc Zeebroek (55) door zijn woonkamer in Brugge. Het is 12 uur, hij heeft net zijn dagelijkse tekening voor NRC Handelsblad gemaakt. „Hier, kijk maar.” Een man in sneeuwpak loopt op de Zuidpool en vraagt zich af: ‘Hoe zou het nog met de euro zijn?’ Heerlijk vindt Zeebroek het, dat hij iedere dag van de krant als eerste het nieuws hoort. „Dat er een Nederlands onderzoekscentrum op de Zuidpool komt, bijvoorbeeld. En daar maak ik dan een filosofische bedenking bij.”

Tekenen is voor hem een fysiek genot. „Het is het eerste wat ik ’s ochtends doe. Tanden poetsen, koffie drinken en dan iets tekenen. Het is beter dan drugs, want het raakt nooit uitgewerkt.”

Over tekenen praten maakt hem zichtbaar blij. Over zichzelf praat hij daarentegen met aarzeling. Het liefst praat hij vrij associërend. Hoe het er straks zal uitzien, als iedereen langer moet doorwerken. „Een 95-jarige boer die zijn land bewerkt, zie je het voor je?” En weer die grinnik.

Luc Zeebroek woont in een modern huis, met Kathy Van de Geuchte, zijn tweede echtgenote met wie hij in september trouwde. In de woonkamer staat The Holy Kama, 900 pagina’s tekeningen, prominent uitgestald.

U noemt het een bijbel. Die was er toch al?

„Die vond ik te gruwelijk en niet grappig genoeg. Ik wilde altijd al een bijbelachtig boek maken, op dun papier. Het werd deze selectie uit ruim 5.000 tekeningen van de laatste tien jaar. De criteria waren dat het een goede tekening moest zijn, dus grappig of interessant en liefst beide; dat het tamelijk tijdloos moest zijn, dus geen krantentekeningen want die zijn te actueel; en geen woordspeling, omdat die meestal niet leuk zijn en onvertaalbaar. Er is al een Engelse versie, een Duitse en Franse komen er nog aan.”

Het boek is voor hotelkamers. Hoezo?

„Op elke hotelkamer ligt een bijbel. Het zou leuk zijn als mensen in plaats daarvan dit boek lezen en tot inkeer komen voor het slapen gaan. Hoewel ook de Bijbel eigenlijk één grote surrealistische trip is. Ik ben niet met de Bijbel opgegroeid, heb een paar jaar geleden voor het eerst in het Oude Testament gelezen en dat was een openbaring. Heel surrealistisch maar ook hard, herkenbaar en tijdloos.”

Wat viel u op bij de selectie van tekeningen?

„Het is een perpetuum mobile van humor. Bij een normaal boek onthoud je wat je las. Als je hierin leest, ben je na 100 tekeningen de eerste 10 vergeten. Als het uit is, kun je opnieuw beginnen. Dat was het probleem bij het samenstellen, dat je niet weet wat je al gezien hebt.”

Wat voor man ziet u achter die tekeningen?

„Alleszins een man die veel tekent.” Grinnik.

En verder?

„Iemand die voortdurend alles ter discussie stelt. Elk goed kunstwerk, een cartoon, schilderij of toneelstuk, is eigenlijk een vraag die je stelt. Bijvoorbeeld deze tekening, ‘hij toonde ons z’n collectie warmwatervissen’. Een man zet zijn aquarium op het vuur. Het houden van warmwatervissen, waar slaat dat op? Dieren die opgewarmd moeten worden, dat is echt heel vreemd. Van sommige tekeningen weet ik niet waar ze vandaan komen. Zoals deze van twee mannen die hun neus op een kast leggen. Ik begin met die neuzen, dan worden het mannen die naar elkaar kijken en die zeggen ‘deze kast heeft dringend een vaas nodig’. De beste grappen zijn opgestapelde tristesse.”

Welke ontwikkeling ziet u in die tien jaar?

„In periodes dat ik veel schilder, teken ik anders. Als tekenaar heb je de neiging de lijn te volgen, als schilder wil je het hele blad overzien.”

Als u verder terugkijkt, naar de jonge tekenaar, welke ontwikkeling ziet u dan?

„Ik kijk niet vaak terug, dat vind ik een helse opdracht. Een constante confrontatie met je gebreken. Het liefst zou ik die tekeningen opnieuw doen. Niet dat ze dan beter zouden worden, maar anders. Ik was vroeger denk ik wel woedender, tekende vaker figuren met een verbeten hoofd. Later besef je dat je als kunstenaar meerdere snaren moet bespelen. Als je je tot één snaar beperkt, krijg je geen muziek.”

Luc Zeebroek begon op zijn vijftiende met tekenen voor de krant De Zeewacht in Oostende. Hij tekende in die tijd overal; in de tram, de bus en de trein. „Zelfs in de discotheek, waar je flashlights had, en dan ging ik buiten kijken wat er op de tekening stond.” Op de kunstacademie kreeg hij te horen dat cartoons tekenen geen kunst was, en dat een goede kunstenaar arm is en getormenteerd. „Een kunstenaar die het goed had en gezond stierf, daar hoorde je niet van. Ik vroeg me af waarom.” Hij verdiende inmiddels zijn geld met tekenen voor Humo, de Haagse Post en het Franse blad Harakiri.

Juist omdat cartoons niet als kunst golden, koos hij ervoor. „Ik vind het belangrijk om tegendraads te zijn, want alleen dan kom je tot nieuwe dingen. De andere kant uitlopen is altijd interessanter. Strips waren in België toen nog vooral voor kinderen en dat wilde ik doorbreken. Bovendien vond ik het een fantastische moderne manier om kunst te maken. Ik was dol op dadaïsme en surrealisme en wilde dat combineren met massamedia als tijdschriften en later tv-programma’s of optredens.”

Heeft u de cartoon geëmancipeerd?

„Dat vind ik een raar woord, ‘geëmancipeerd’. Maar als ik er zo over nadenk zijn er wel mensen die mij gevolgd zijn, zoals Gummbah. Er wordt nu anders gekeken naar cartoons en ze worden anders gebruikt bij verhalen. Als goede cartoonist moet je filosofisch zijn. Het nieuws is heel definitief, tenminste op die dag. Als tekenaar kun je er een draai aan geven. Zonder dat je zware dingen zegt, kijken mensen anders naar het definitieve.”

Nu zijn cartoons niet meer tegendraads?

„Daarom ben ik met andere dingen begonnen, zoals schilderen. Eerst kreeg ik op mijn schilderijen felle reacties van mensen die het niets vonden. Veranderen van medium is een van de meest revolutionaire dingen die je als kunstenaar kunt doen. Ik kan me voorstellen dat ik een dansvoorstelling maak als ik tachtig ben.”

Inmiddels tekent u voor NRC Handelsblad, Het Laatste Nieuws, Humo, Charlie Hebdo, The New Yorker, het Noorse Marg Magazine, The Spectator. Daarnaast schildert u en treedt u op. Hoeveel uur per dag werkt u?

„Werken?” Hij denkt lang na. „Ik doe veel, maar ik heb nooit het gevoel dat ik werk. Tenzij ik in de file sta of toestanden van boekhoudkundige aard moet doen. Tekenen, optreden, schilderen, dat maakt me blij. Zaterdag is de enige dag per week dat ik niet hoef te tekenen, en dan mis ik het. Ik kan mijn tekeningen maken en versturen waar ik ook ben, nu ik teken op mijn iPhone met turboscan-applicatie. Als ik nog steeds een week nodig had om mijn tekening per post bij de krant te krijgen, was ik niet begonnen met schilderen.”

Kijkt u wel eens rustig naar de wolken?

„Tuurlijk, dat kan ik wel. Wolken zijn interessant. Ik heb weleens een tekening gemaakt over de veranderende vorm van wolken; vroeger kon je er meer in zien, was de tekst. Om toch maar even een heel wanhopig beeld van mezelf te schetsen.”

Waarom werkt u zo veel?

„Ik zou niet weten wat ik anders moet doen. Ik zou me snel vervelen – ook als ik alleen maar zou tekenen. Het is eenzaam; als tekenaar krijg je nooit het gelach te horen of het applaus. Met optredens krijg ik instant reactie.”

Is het angst voor confrontatie met jezelf?

„Misschien. Maar ik lig er niet van wakker. Ik heb het grote geluk dat ik altijd wist wat ik wilde doen. Ik herinner me dat ik als kind met mijn vader door Brussel wandelde en zei: ‘Later wil ik tekenaar worden, en schrijver.’ Hij antwoordde: ‘Ben je gek, altijd op zo’n wit blad papier zitten kijken.’ En ik kon me niets mooiers voorstellen dan zo’n wit blad papier. Mijn ouders bleven het een beetje raar en onzeker bestaan vinden, maar hebben het wel altijd gesteund. We woonden in een groot huis in Oostende, ik was enig kind en had de hele bovenverdieping. Die kamers beschilderde ik, nogal wild, met vingerverf en stiften. Mijn allereerste werk maakte ik toen ik nog geen zes was. Mijn moeder had een verfwinkel, waar ze zelf verf mengde. Die pigmenten, pure kleuren, zaten in glazen buisjes. Toen mijn moeder even weg was, heb ik alle buisjes op de grond laten vallen. Eerst geel, dan paars. Ze ontploften tot een kleurentapijt, een abstract kunstwerk. Het was een fortuin wat ik daar op de grond had geschud en ik kreeg een gigantisch pak slaag. Toen leerde ik dat je als kunstenaar niet altijd wordt begrepen.”

Hij moet hard lachen, dan: „Maar inderdaad, kunstenaars komen niet graag zichzelf tegen, of anderen. In periodes dat ik veel schilder, sluit ik me bijna op in mijn atelier.”

Hoe combineert u dat met een privéleven?

„Mijn vrouw gaat veel mee, ze heeft haar werk opgezegd als verpleegster in een psychiatrische kliniek. Misschien kan het met mij niet anders, als je me alleen tussen twee acties in ziet, dan zie je mij niet veel. Mijn oudste twee kinderen hebben ook een beroep dat nooit stopt. Ze spelen in de band Hong Kong Dong. Mijn dochter schildert, we hebben laatst samen in Leuven een huis van binnen beschilderd. Maar het is het beste dat zij hun eigen dingen doen. Het enige waarover ik inzit is dat ze zich als artiest veel moeten verplaatsen. Sinds hun moeder drie jaar geleden is omgekomen bij een verkeersongeval, ben ik niet meer op mijn gemak. Daar ben ik zo van geschrokken, dat het een soort trauma is. Die dag was ook de enige keer dat ik niet voor de krant heb getekend. Ik houd altijd mijn telefoon in het oog, alsof ik ieder moment slecht nieuws kan verwachten.”

Zegt u wel eens ‘nee’ tegen een verzoek?

„Ik zeg de hele tijd ‘nee’, dat vind ik niet moeilijk, omdat ik weet wat ik wil. Maar er zijn zoveel leuke dingen om ‘ja’ tegen te zeggen. Begin dit jaar, ik woonde net in Brugge, kreeg ik een mail van de burgemeester, of ik curator wilde zijn van een kunstenfestival. Fantastisch! Ik wil werk tonen van kunstenaars als Captain Beefheart, Dogbowl, David Bade, Wim T. Schippers, Jeroen Henneman, Roland Topor, Capitaine Longchamps, Werner Mannaers, Fred Bervoets, George Condo, Lucebert en J.J. Grandville, een voorloper van het surrealisme en dus ook mijn voorloper. Met het Frans Hals Museum overleg ik om werk van John Currin tentoon te stellen. Johnny Dowd en de kunstenaar Dogbowl zullen optreden. Ik ben geïnteresseerd in mensen die werk maken dat disciplines overlapt.

„De zaal wordt zo ingericht dat grote en kleine werken even groot lijken als je ervoor staat. Dit effect ontstaat doordat ik een trechtervormige ruimte maak, steeds smaller en lager, op het einde nog maar 1 meter 20, zodat je moet kruipen. Zo worden tekeningen even groot ervaren als doeken van 2 bij 3 meter. Aan het eind kom je bij een deurtje, kijk je door het sleutelgat en dan zie je de eerste tentoonstelling die ik me herinner: mijn moeder naakt in bad. De allereerste keer dat ik curator was.”

The Holy Kama, De Harmonie, 895 p. 29,95 euroKunstenfestival Kamarama, vanaf 29 april in Brugge. Inl. bruggeplus.be