Wij verdienen een pluim!

Marcel van Roosmalen viert de Dag van de Vrijwilliger in Amsterdam-West.

Vrijwilligers klappen erg enthousiast voor zichzelf.

Nederland, Amsterdam, 07-12-2011 Tijdens de wereldwijde 'Dag van de Vrijwilliger' worden in Amsterdam-West de lokale vrijwilligers in het zonnetje gezet. Voor de serie "Marcel Werkt'

In wijkgebouw Mozaïek te Amsterdam-West werd ‘De Dag van de Vrijwilliger’ groots gevierd. Bij de ingang vielen we in de armen van Jan van den Dries, een somber kijkende man die zichzelf een knots van een medaille had opgespeld.

‘VIP’ stond erop.

We feliciteerden hem. Dat was nergens voor nodig.

‘VIP’ stond voor ‘Vrijwilligers Informatie Punt’, Jan was er in dienst als ‘participatiecoördinator’, een hele mond vol.

Hij begon aan een uitleg van zijn werkzaamheden. De namen van diverse stichtingen vlogen voorbij. Duidelijk werd dat alle betaalde krachten een medaille op hadden zodat ze herkenbaar waren voor de vrijwilligers. Want daar draaide het allemaal om.

Jan: „Vrijwilligers zijn het cement van de samenleving. Vrijwilligers verdienen het om in het zonnetje gezet te worden. Vrijwilligers verdienen een pluim! Wij zijn er slechts om vrijwilligers te faciliteren.”

Daarna: „Ik heb een prachtbaan. Ik zie zo veel mensen opbloeien, joh! Ik vind dat ik hartstikke mooi werk heb. Wat is er mooier dan dit werk? Ik weet niet wat er mooier is. Er is niks mis met dit land, echt niet! Samen de schouders eronder! Wat heb ik toch leuk werk!”

Paraplu-paraplu-parasol, weer een aantekeningenboekje vol.

We werden naar de garderobe gestuurd waar vrijwilligers de jassen aannamen. Er stond een rij, want er kwam veel administratie bij kijken.

Je kreeg een nummer voor je jas, dat moest je opschrijven op een formulier, waarop ook je naam en de naam van de organisatie moest worden gezet. Met dat formulier moest je naar een andere vrijwilliger. Eentje met een bril, die het heel precies nakeek. De naam nrc.next stond niet op de lijst.

De vrijwilliger met de bril haalde er een andere vrijwilliger bij. Die haalde er een VIP bij.

De VIP zei dat hij er was om de vrijwilligers te ondersteunen. Ze hadden het allemaal nog nooit meegemaakt, dat er iemand was van een organisatie die niet op de lijst stond.

Ik kreeg geen consumptiebonnen want nrc.next stond niet op de lijst van erkende organisaties. Ik vond het niet erg, de VIP-mevrouw wel.

Ze zei: „Dit lijkt formeel, maar dat is het niet. Wij zijn niet bureaucratisch, wij zijn modern.”

„Ik hoef geen consumptiebonnen”, zei ik.

„Dat wil je wel”, zei de vrouw. „Hoe lang ben je al vrijwilliger?”

Ik was geen vrijwilliger. Ik kreeg geld voor werk. Volgens de VIP-mevrouw was ik ‘een enorme bofferd’.

Ze leverde me af in de versierde feestzaal, de tribunes waren gevuld met vrijwilligers in nette kleren.

Een vrouw in een overdreven feestelijke jurk sprak de mensen toe.

„Het is jullie feestje!”

„Wat ben ik trots op jullie.”

‘Stadsdeelwethouder Welzijn’ Hetty Welschen van GroenLinks pakte de microfoon. Ze zei dat vrijwilligers iedere dag in het zonnetje gezet mochten worden. In Amsterdam-West deed bijna iedereen aan vrijwilligerswerk. Ze vond dat ontroerend en noemde het een ‘1001 kracht verhaal’, een speelse verwijzing naar het sprookje van ‘1001 nacht’. De donkere decembermaand kwam er weer aan. Wat zou het leuk zijn als we allemaal een keer een eenzaam iemand uitnodigden voor het avondeten. „Maar”, zuchtte ze, „eigenlijk praat ik tegen de verkeerde mensen, want u doet al zo veel!”

De mensen mochten voor zichzelf klappen. En dat deden ze, keihard. De vrouw in de feestjurk begon aan het feestprogramma. Ze zei dat vrijwilligers bescheiden mensen waren.

„Mensen die eigenlijk geen bedankje willen.”

Ze ging het toch doen, zo’n avond was het wel.

Iedereen moest staan. „Wie doet er al langer dan een jaar vrijwilligerswerk? Die mag blijven staan. Wie doet er langer dan twee jaar vrijwilligerswerk? Die mag blijven staan…”

Tien minuten later – we waren inmiddels bij meer dan 55 jaar vrijwilligerswerk – stonden er nog een paar vrouwen. Een vrouw van 73 zei dat ze al vanaf haar veertiende vrijwilligerswerk deed. „Met arme kinderen en geestelijk gehandicapten.”

Wat ze deed was onduidelijk, maar bijzonder was het wel. De vrouw in de feestjurk vroeg of iemand daar overheen kon.

Op de tribune werd gesist. „Bep staan! Staan blijven Bep!” Bep bleef staan.

Ze was 86, al meer dan 65 jaar actief en ze had blauw haar. Ze hield niet van aandacht en bedankjes, maar nu werd ze gedwongen door haar eveneens bejaarde collega’s. Ze werkte bij de voedselbank waar ze het brood sorteerde. Bruin bij bruin en wit bij wit.

De vrouw in de feestjurk: „Ongelooflijk belangrijk werk dat anders niet zou gebeuren.”

Ze stak haar duim op.

„Bep, je krijgt van mij een pluim!”

Van het stadsdeel kreeg ze bloemen, zeven rozen in plastic folie.

Wethouder Hetty zei dat Bep ‘weer zo’n stuk cement’ was. „Een voorbeeld voor ons allemaal.”

„Ach”, zei Bep bescheiden, „ik doe al zo lang goed werk. Ik hoop dat de jeugd er een voorbeeld aan neemt.”

We verlieten de feestruimte. In het café van buurtcentrum Mozaïek was een kartonnen klaagmuur opgetrokken. Vrijwilligers konden er briefjes met wensen of klachten opprikken.

‘Meer vrijwilligers.’

‘Meer geld!’

‘Meer acceptatie en erkenning!’

Bij de garderobe gaf een vrijwilliger na veel gedoe mijn jas terug, mijn organisatie stond niet op de lijst. Ondanks dat kreeg ik toch een ‘verrassingstas’, waarmee stadsdeel Oud-West zijn vrijwilligers beloonde. Er zaten een pen, een drinkfles en een rood stuk plastic in dat je over je fietszadel kon spannen. Er stond op: ‘Vrijwilligers maken het verschil!’