Van wie zijn ideeën: van de bedenker of van iedereen?

Auteursrechten stammen uit de achttiende eeuw, een tijd dat er nog geen digitale reproductie bestond.

Volgens Lawrence Lessig, hoogleraar rechten aan Harvard University, belemmeren deze rechten creativiteit.

Het was een merkwaardig bericht afgelopen zomer: Aaron Swartz, een 25-jarige computerprogrammeur verbonden aan de universiteit van Harvard, was opgepakt omdat hij te veel academische artikelen had gedownload. 4,8 miljoen artikelen om precies te zijn, uit de academische database JSTOR. Een poging tot diefstal, concludeerde het Amerikaanse Openbaar Ministerie. Swartz wordt beschuldigd van fraude en computervredebreuk; hij riskeert een celstraf van 35 jaar en een boete van 1 miljoen dollar.

Swartz kopieerde de JSTOR-database niet omdat hij de artikelen zelf wilde hebben of de informatie wilde doorverkopen. Het idee was juist om de artikelen te ‘bevrijden’ uit de afgeschermde JSTOR-omgeving en ze via file sharing-programma’s publiek toegankelijk te maken. Wetenschappelijke kennis wordt doorgaans gepresenteerd in vakbladen, die geraadpleegd kunnen worden via afgeschermde databases. Deze zijn moeilijk toegankelijk voor het grote publiek: losse artikelen kosten 19 dollar per stuk en gebruikers moeten zich registreren.

Dat is onterecht, vindt Swartz. Swartz is de belichaming van open access, een beweging die kennis en informatie via internet wil ontsluiten voor een groot publiek. Op zijn veertiende werkte hij al mee aan de ontwikkeling van RSS, software waarmee je op de hoogte gehouden kunt worden van updates op websites. Later was hij onder meer betrokken bij Wikipedia, het Open Library-project en de creative commons-licenties, waarmee auteurs hun artikelen vrij ter beschikking kunnen stellen. Ook richtte hij de non-profit organisatie ‘Demand Progress’ op, een liberale actiegroep „gerund door gewone mensen in plaats van corporate fat cats”, aldus de website.

Vanuit het open access-perspectief is Swartz een soort Robin Hood: hij ‘steelt’ van de rijken voor het algemeen belang. Met zijn actie vestigt hij de aandacht op een principiële kwestie: van wie zijn ideeën en wie mag er toegang toe krijgen, onder welke voorwaarden?

Het klassieke antwoord is: een idee is van de bedenker, het is zijn ‘intellectueel eigendom’. Als een idee is vastgelegd in een werk, wordt dit beschermd met auteursrechten, de zogenaamde copyrights. Copyrights zijn gebaseerd op het idee dat iemand die iets nieuws creëert de rechtmatige eigenaar is van zijn of haar creatie en dat anderen daar alleen tegen bepaalde voorwaarden gebruik van mogen maken – het ‘recht’ verkrijgen op een ‘kopie’.

Voor het gebruik van copyrights bestaan goede redenen. Wie jarenlang heeft gewerkt aan een artikel, boek of kunstwerk wil immers niet dat anderen daar zonder meer gebruik van kunnen maken. Auteursrechten zijn een manier om degene die tijd en moeite steekt in het creëren van iets nieuws de vruchten van zijn werk te laten plukken. Maar is dit terecht? Is het in het internettijdperk nog wel mogelijk om vast te houden aan het idee dat een auteur zelf mag bepalen wie er wel en niet toegang heeft tot zijn werk? En hoe zinvol is het om kennis af te schermen?

Sommige kennis lijkt van iedereen. Antonio Hardt en Michael Negri, een Italiaanse filosoof en Amerikaanse literatuurwetenschapper, schrijven hierover in hun boek Commonwealth (2009). Centraal staat het begrip ‘the common’, het gemeenschappelijke. Met ‘het gemeenschappelijke’ bedoelen ze dat wat noch in privébezit is, noch in bezit van de overheid: het is van iedereen.

Hardt en Negri onderscheiden hierin twee soorten. De eerste zijn natuurlijke bronnen: lucht, water en grondstoffen. Vroeger was dat bijvoorbeeld de wei waar iedereen zijn vee kon laten grazen, of het bos waar je hout kon sprokkelen. De tweede categorie is the human common, het ‘menselijk gemeenschappelijke’, zoals taal, beelden, codes, kennis, en ideeën. Ook deze zijn voor iedereen beschikbaar. Voor niets komt de zon op en we hoeven niet iedere dag opnieuw het wiel uit te vinden.

In de traditie van Marx zien Hardt en Negri het kapitalisme als een vorm van het „onteigenen van het gemeenschappelijke”. Dat begon ermee toen boeren grond gingen bewerken en die grond vervolgens beschouwden als hun rechtmatige eigendom. Maar ook het ‘menselijk gemeenschappelijke’ zou door het kapitaal worden onteigend. De strijd om auteursrechten op internet is daar volgens Hardt en Negri een voorbeeld van. Vroeger zongen mensen samen liedjes (‘Hilversum 3 bestond nog niet’); met het kapitalisme zijn liedjes een product geworden. Internet maakt het mogelijk om muziek eenvoudig te delen – iets wat mediabedrijven in rechtzaken tegen YouTube of Pirate Bay proberen tegen te gaan met een beroep op auteursrechten. Hardt en Negri zien delen op internet daarentegen als een poging het ‘gemeenschappelijke’ terug te winnen van het kapitaal.

Maar ook zonder Marx-adept te zijn valt er iets te zeggen over de auteursrechtenkwestie. Lawrence Lessig, hoogleraar rechten aan Harvard, gaat niet zozeer uit van de vraag van wie kennis en informatie zouden moeten zijn, maar welke omstandigheden creativiteit het meest bevorderen. De copyright-wetgeving is ontstaan in de achttiende eeuw, in een tijd met andere productiewijzen dan nu. Volgens Lessig zijn copyrights in het digitale tijdperk maar beperkt toepasbaar. Hij omschrijft ze als een „olifant in de kamer”: een groot, log, vreemd ding dat niet in de omgeving past.

Copyrights waren bedoeld om creativiteit te beschermen, maar vormen volgens Lessig nu meer een obstakel van creativiteit. Ze leiden tot wat Lessig permission culture noemt, een cultuur waarin steeds om toestemming moet worden gevraagd om iets te mogen gebruiken. Deze situatie zou vooral advocaten verder helpen en niet zozeer mensen die iets nieuws proberen te maken. Swartz meent dat het uitwisselen van informatie creativiteit juist aanwakkert. Het zou de kwaliteit van ideeën vergroten of aanleiding geven tot nieuwe creaties.

Er zijn dus goede redenen om auteursrechten ter discussie te stellen. Maar een belangrijke kwestie is nog niet opgelost: als we zo veel mogelijk informatie met zo veel mogelijk mensen moeten delen, wat is dan het gepaste verdienmodel? We leven niet in wereld waarin iedereen zich belangeloos kan inzetten voor het algemeen belang. Auteursrechten hebben een belangrijke functie in het rendabel maken en daarmee stimuleren van creativiteit.

Zo bezien is het slim van Swartz dat hij zijn pijlen richt op academische artikelen. Wetenschappelijk onderzoek wordt doorgaans betaald met gemeenschapsgeld, dus het is te rechtvaardigen dat de resultaten van dat onderzoek voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Het is ook precies de reden dat Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) onlangs bekendmaakte dat het gegevens van NWO-gefinancierd onderzoek voortaan op internet wil publiceren.

Swartz heeft intussen al een succes geboekt met zijn actie. Twee maanden na zijn ‘inbraak’ ging JSTOR ertoe over om een half miljoen artikelen gratis toegankelijk te maken. Het gaat om artikelen waarvan de auteursrechten zijn verlopen: werken uit de VS die zijn gepubliceerd voor 1923 en werken van buiten de VS van voor 1870. Maar de open access-beweging gaat dat waarschijnlijk niet ver genoeg. Zoals staat in het aan Swartz toegeschreven ‘Open Acces Manifesto’ dat op internet circuleert: „Zelfs met de beste scenario’s zullen de inspanningen van de open access-beweging alleen effect hebben op dat wat in de toekomst wordt gepubliceerd. Alles tot die tijd is verloren. Die prijs is te hoog. (...) Er is geen rechtvaardigheid in het volgen van onrechtvaardige wetten. Het is tijd dat we ons verzetten tegen de private diefstal van publieke cultuur.”

Met dank aan Thijs Lijster, onderzoeker aan het Expertisecentrum Arts in Society, faculteit Wijsbegeerte in Groningen.

    • Eva de Valk