In Australië strijdt de mens tegen de natuur

Weer een ‘Great Australian Novel’– het etiket is de laatste jaren wat sleets geraakt. Dit keer maakt De forellenopera aanspraak op de titel. Net als in vele andere Australische romans wordt ook hier het natuurschoon afgezet tegen het menselijk onvermogen.

Een beetje rivier heeft een opmerkelijke bron, of op z’n minst eenmooie ontstaansgeschiedenis. De bron van de Nijl heeft haar tragische ontdekker John Hanning Speke, de Ganges heeft zelfs een goddelijke oorsprong, daar waar de haarstrengen van Shiva de rivier in goede banen leiden. En Australië? Dat heeft Snowy River.

Over deze laatste, kolkende rivier schreef de Australische bush-dichter Banjo Paterson in 1890 het epische gedicht The Man from Snowy River. Het draait om een achtervolging te paard, ondernomen in een poging om het veulen van een prijswinnend paard terug te veroveren. Tegelijkertijd gaat het natuurlijk over die ene dappere jongen die het op vrijwel onmogelijk begaanbaar terrein niet opgeeft.

Het heldendom van de jongen werd gezien als symbolisch voor het jonge land dat moest vechten tegen beeldvorming van Australië als woestenij van nietsnutten en tegen de Britse overheersers. Het is een beeld dat ruim tien jaar na verschijning van het gedicht werd overwonnen.

Als Snowy River inderdaad symbool staat voor Australië, dan is het droevig gesteld met het land. De rivier verwerd in de jaren vijftig en zestig tot een hoop stroompjes dat alleen nog nut had voor irrigatiedoeleinden. Hele stukken land vielen droog en dorpen stroomden leeg. Maar toch is er meer met deze rivier aan de hand, tenminste, die indruk krijg je wanneer je De forellenopera van de Australische auteur Matthew Condon (1962) leest.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 9 december 2011, pagina 12 - 13. U kunt de hele recensie hier lezen.