Het geheim van Tibet

Iemand met een geweten dient zich rekenschap te geven van de realiteit en de geschiedenis, die beide nu eenmaal bijzonder meedogenloos zijn. Als dichter voel ik in Tibet op elk moment de spanning tussen de realiteit en de geschiedenis – een spanning die uiteindelijk de ivoren toren waarin ik mij had opgesloten aan diggelen heeft geslagen.

Ik heb altijd een dichter willen zijn. Dat komt door een sterk verlangen in een vorig leven, het is een lotsbeschikking die onafgebroken voortduurt.

Ooit zat ik opgesloten in de ivoren toren van de poëzie; de gedichten die ik schreef werden hoe langer hoe individualistischer, ik hield vast aan individualistische gevoelens, aan individualistische beeldspraak, aan individualistische taal. Ik was van mening dat een dichter of een kunstenaar boven alles stond, of beter gezegd boven alles uitsteeg, en dat ik geen rekening hoefde te houden met andere identiteiten, zoals bijvoorbeeld de aard van een volk. Maar de gedichten die ik schreef konden mijn innerlijke lijden allerminst verlichten. Waarmee ik overigens niet wil zeggen dat ik zoveel leed – leegte zou misschien een nauwkeuriger omschrijving zijn. Maar ik kon dat soort poëzie niet blijven schrijven.

Sinds wanneer ben ik stap voor stap uit die ivoren toren geklommen? Het kan niet anders dan dat de ervaringen tijdens mijn reizen door wat de Tibetanen Khawachen noemen, dat wil zeggen het land van de besneeuwde gebieden, mij geleidelijk hebben veranderd. Ik heb talloze plaatsen in de drie provincies Amdo, U-tsang en Kham bezocht. Hoewel ik die reizen voor mijn plezier maakte, waren het ook pelgrimstochten, want diep in mij beschouwde ik dat uitgestrekte land van de besneeuwde gebieden als een natuurlijke, reusachtig grote tempel. Dat was natuurlijk mijn drijfveer helemaal aan het begin van mijn reizen. Maar naarmate ik dieper in die besneeuwde gebieden doordrong en er langer verbleef, werd mijn literaire smaak geleidelijk aan vervangen door een historisch besef en een gevoel van roeping. Ik ging de mensen en gebeurtenissen van dit land – mijn geboortestreek – gaandeweg met een historische en realistische blik bezien, terwijl ik er voorheen uitsluitend met een esthetische blik naar keek.

In mijn essaybundel Aantekeningen over Tibet staat deze zin: ‘… Maar ik ben zelf een lid van de Tibetaanse gemeenschap, de gigantische, erbarmelijke gedaante van Tibet drukt als een rots op mijn rug, ik moet kiezen tussen “eer” en “wuwei”, het taoïstische ”niet-ingrijpen”, het is het een of het ander!’ Maar onder ‘eer’ versta ik niet zomaar de ‘eer’ van een dichter, maar de ‘eer’ van iemand met een geweten.

Iemand met een geweten dient zich rekenschap te geven van de realiteit en de geschiedenis, die beide nu eenmaal bijzonder meedogenloos zijn. Als dichter voel ik in Tibet op elk moment de spanning tussen de realiteit en de geschiedenis – een spanning die uiteindelijk de ivoren toren waarin ik mij had opgesloten aan diggelen heeft geslagen. Op een dag in december 1995, toen de ledenvergadering van het Tibetaanse staatsgenootschap voor letterkundigen waarvoor ik werkte het document deed rondgaan waarin de Chinese regering zich uitsprak tegen de elfde, door de Dalai Lama erkende Panchen Lama en zelf een andere Panchen Lama aanwees , kon ik het niet nalaten ter plekke het gedicht ‘December’ te schrijven:

1.
Hoor dat toch, de leugen neemt schandalige vormen aan
Van de jonge vogels in het bos gaan er twee vallen
Hij zegt: Tibet, Tibet is gezegend

Woedende meisjes gaan niet op dieet
Overal veranderen ook de monnikspijen van kleur
Zij zeggen: Om dit leven te behouden

Maar die ene, ach!
Kokend heet bloed, kokend heet bloed
Wie zal in een volgend leven hartverscheurend huilen?

2
Donkerzwarte wolken! Ineenstorting!
Dat is mijn spookbeeld van dit moment

Ik weet ook: zwijgen op dit moment
betekent zwijgen voor altijd

Miljoenen boze gezichten
vragen om openhartigheid

Die persoon met zijn bijzondere, diep rode kleur
heeft zijn leven opgeofferd

Omdat de boom van het leven altijd groen is
de ziel nu eenmaal de ziel is

3
Een nog grotere klap in ons gezicht!
Een ongekend verscheiden van tienduizend bomen
Eenvoudige mensen zwijgen als als cicaden in de kou

De ineengeslagen handen
worden toch generatie na generatie afgehakt
om de magen van haviken en honden te vullen

Ach, een vormeloos bidsnoer
– wie voelt zich bij machte om hem vastbesloten
op te rapen uit deze smerige vergankelijke wereld?

Hierna werd mij de richting van mijn toekomstige schrijven geleidelijk aan duidelijk, namelijk dat ik een getuige wil zijn die het geheim ziet, ontdekt, aan het licht brengt en verspreidt, dat zo verontrustende en schokkende geheim, dat niet individueel is, het geheim dat Tibet toebehoort. In deze manier van schrijven hebben gedichten natuurlijk ook een plaats, maar belangrijker is dat het niet verzonnen is. Door de manier en stijl van schrijven die ik vanaf dat moment hanteerde, heb ik geleidelijk een uitdrukkingsvorm voor mijn persoonlijke ‘Tibetaanse identiteit’ bereikt. En die hangt nauw samen met de geografie, de geschiedenis en de cultuur van Tibet, en met de verhalen en levenservaringen van ontelbare Tibetanen.

Later heb ik geschreven: ‘Als je leeft in Tibet, dat talloze veranderingen heeft doorstaan, als je je baadt in het Tibetaanse zonlicht, dat te midden van de voortdurend veranderende situatie nog altijd buitengewoon helder is, dan krijg je van lieverlee ervaring en inzicht in het mededogen en de wijsheid van het Tibetaanse boeddhisme; dan kun je van lieverlee aandachtig kijken en luisteren naar de glorie en ellende in de Tibetaanse geschiedenis en realiteit… Dat alles maakt dat ik een roeping heb om de wereld te vertellen over het geheim van Tibet.’

Vertaald door Silvia Marijnissen

    • Tsering Woeser