Grijze muizen die genadeloos zijn

Tinker Tailor Soldier Spy. Regie: Tomas Alfredson. Met: Gary Oldman, John Hurt, Colin Firth, Tom Hardy. In: 29 bioscopen. ****

„Tinker, Tailor, Soldier, Sailor, Rich Man, Poor Man, Beggar Man, Thief.” Wat een dreiging kan er uitgaan van zo’n simpel kinderversje. Wie is er af? Wie is de baas? Of in het geval van John le Carrés beroemde spionageroman Tinker, Tailor, Soldier, Spy (1974): wie is de mol? Wie is de verrader, de dubbelspion, de matennaaier? Wie kan het beste glimlachen als een schurk?

Het is niet verwonderlijk dat de Zweed Tomas Alfredson na zijn wereldwijze succes met de vampierfilm Let the Right One In (2008), voor zijn internationale debuut akkoord ging met het aanbod om Le Carrés boek (na de beroemde BBC-dramaserie eind jaren zeventig) voor het witte doek te bewerken. Net als Let the Right One In is Tinker Tailor Soldier Spy (Alfredson gooide de komma’s overboord) een film geworden die drijft op sfeer en suggestie. Je zou zelfs kunnen zeggen dat zoiets ongrijpbaars als sfeer en suggestie de hele kern van het spionnenbestaan bepaalt. Niets is zeker, niets is keihard bewezen, alles is ambigu en dubbelzinnig, en alles kan, in een ander licht, een andere betekenis krijgen.

We bevinden ons midden in de Koude Oorlog. Het hoofdkwartier van de Britse geheime dienst is in precies dezelfde vaalgroene en poepbruine Oostbloktinten geschilderd als de huizen van de vijand die bestreden moet worden. Het zijn grauwe jaren. George Smiley, superspion met gedwongen pensioen, wordt teruggeroepen naar ‘The Circus’ om de dubbelagent in de top van de dienst te ontmaskeren. Le Carré baseerde zijn boek op de waargebeurde geschiedenis van de Britse dubbelspion Kim Philby, die in 1963 ontmaskerd werd. Maar TTSS heeft niets van zo’n gebaseerd-op-ware-gebeurtenissen-film. Er is zelfs nauwelijks plot. De onmiskenbare spanning komt van andere dingen. Van sfeer dus. En suggestie. En Alfredson is daar een meester in.

TTSS is een film over paranoia en argwaan, en over de saaiheid van het spionnenbestaan, waardoor je misschien vanzelf wel spoken gaat zien. Alfredson toont ons een log bureaucratisch apparaat. Alleen al dat steeds terugkerende beeld van die goederenlift waarin elke dag de dossiers van de ene naar de andere verdieping worden vervoerd. Heen en terug. Heen en terug. Zonder er ooit iets nieuws in te ontdekken. Op dezelfde manier draait Alfredson in Smiley’s herinneringen ook steeds dezelfde flashbacks af. Steeds maar weer dat kerstfeestje op kantoor. Wat is er toen gebeurd dat zich aan het oog onttrok? Wat betekende die glimlach van zijn beste vriend Bill Haydon die zich in Smiley’s herinnering heeft vastgezet als de lach van een hyena?

Hoe retro TTSS er ook uitziet, de insteek van Tomas Alfredson is reuze modern. Door er bijna een abstracte film van te maken doen de gebeurtenissen meer denken aan een verhaal van Kafka dan aan een ouderwetse spionagefilm. En dat maakt dat de film, ondanks z’n bedaagde tempo, ook zo urgent en actueel voelt. Hij gaat over ons. Nu. Over de sfeer van angst en argwaan die we om onszelf heen spinnen. Het kantoor van MI6 is misschien niet zo glossy als het bankgebouw in crisisfilm Margin Call, maar de complotten die er worden gesmeed zijn even abstract, schimmig en zinloos.

Dana Linssen

Meer over George Smiley: pagina 7