Goldstein doet in Stedelijk precies wat ze moet doen

NRC Handelsblad voert campagne tegen directeur Goldstein van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ze wordt afgerekend op de verkeerde gronden, stelt Thomas Spijkerboer.

Laat het maar meteen gezegd zijn – het Stedelijk Museum in Amsterdam is van mij. Mijn ouders namen me mee toen ik een peuter was. Mij ging het vooral om de Fanta. Ik zag een werk dat van Jean Tinguely zal zijn geweest, waarbij je op een knop mocht drukken. Er ging dan een maf soort machine bewegen. Ook het portret van een vrouw met lippen van een neonbuis vond ik leuk. Als puber ontdekte ik El Lissitzky en ik weet nog dat ik als student voor het eerst een schilderij zag van Marlene Dumas.

Op mijn beurt nam ik mijn eigen dochter mee. Toen ze een jaar of drie was, heeft ze een week lang met verve zwarte vierkanten getekend, geschilderd en geknutseld.

De sluiting van het Stedelijk was een vreemde ervaring, zeker toen ook de tijdelijke ruimte in het oude postkantoor aan het Oosterdok werd gesloten. Het Stedelijk behoort me onmiskenbaar toe, maar ik scheen er niet naartoe te mogen. De aankondiging dat het Stedelijk dit jaar tijdelijk open zou gaan, was mooi, zij het dat er details waren die op het eerste gezicht verontrustten. Een ander soort vloer dan vroeger – is dat nou nodig? Wat wordt er nog meer verknald uit blinde vernieuwingsdrift? Moet een verse interieurambtenaar een geurspoor nalaten?

De opstelling was daarentegen geweldig. De vaste collectie werd getoond op een manier die nieuwe verbanden legde. De papegaai en de sirene van Henri Matisse hingen naast een ingekerfd doek van Lucio Fontana. Deze werken zijn veel vaker getoond, maar de combinatie bezorgde me een goed humeur. De jarenzeventiginstallatie Diamond Lane – met als hoogtepunt de trailer van een niet-gemaakte film; dit had ik nooit eerder gezien – stond in de buurt van een video met op hol geslagen Bambi-esthetiek (een nieuwe aankoop).

De zoveelste lege zaal in de eerste opstelling irriteerde, maar hierdoor kwam de geboende driehoek op de vloer van Ger van Elk wel erg goed aan. Ik ben geregeld teruggegaan en sleepte zo veel mogelijk mensen mee. In de elf maanden dat het Stedelijk open was, waren er 223.000 bezoekers. Zowel de tijdelijke opening als de opstellingen waren, zo viel op te maken uit de pers, een persoonlijk initiatief van de nieuwe directeur, Ann Goldstein. Deze vrouw is mijn grote heldin. Ik kreeg het Stedelijk terug en doordat Goldstein er fris tegenaan ging, kreeg ik er ook nog een nieuw Stedelijk bij.

NRC Handelsblad voert campagne tegen Goldstein, zoals De Telegraaf dit doet vóór Johan Cruijff. Onduidelijk is waar het negatieve toontje vandaan komt. De tijdelijke opening van het museum was „niet genoeg om de indruk van een gesloten instelling weg te nemen”. Weet de NRC-redactie niet meer waar de ingang van het Stedelijk is? Wat staat hier eigenlijk?

Goldstein maakte een voor interne doeleinden geschreven stuk niet openbaar. Ze „trekt grenzen waar ze over wil praten”. Wat is er mis mee dat interne stukken intern zijn en dat iemand niet meegaat in de trend om ongeremd leeg te lopen tegenover journalisten? Zo gaat de krant maar door, met allerlei bezwaartjes. Het dieptepunt was een interview waarin met aftandse middelen een negatief beeld werd geschetst van Goldstein. Op een lange vraag volgde bijvoorbeeld een eenregelig antwoord. Dit schept het beeld dat de geïnterviewde zich te goed voelt om de interviewer te woord te staan.

Het hoofdcommentaar van de krant bestaat het om te beweren: „Haar publiek, de ‘gewone’ mensen die haar museum willen bezoeken en die het tot een succes moeten maken, ontwijkt ze.” Als gewoon mens – zonder ironiserende aanhalingstekens – dat haar museum wil bezoeken, wil ik precies dat: het museum bezoeken. Dit heeft Goldstein mogelijk gemaakt. Van NRC Handelsblad had ze zich daarentegen telkens in haar tentoonstellingen moeten opstellen als een soort wethouder Hekking, om maar niet de indrukte wekken dat ze de bezoekers ontwijkt.

Een museumdirecteur heeft als belangrijkste taak om te regelen dat er in haar gebouw mooie tentoonstellingen te zien zijn. Het is de verdienste van Goldstein dat het Stedelijk überhaupt even open mocht. Wie de moeite heeft genomen te komen kijken, weet genoeg over haar visie.

Het is prima dat er museumdirecteuren zijn die het als onderdeel van hun taak beschouwen om knusse interviews te geven en om leuke dingetjes te doen op de televisie. Een deel van het publiek vindt het vast fijn als het getoonde permanent wordt toegelicht, uitgelegd en ondertiteld, opdat zij – als ‘gewone’ mensen – snappen wat ze behoren te zien, maar mag er in hemelsnaam ook plek zijn voor een minder babbelziek figuur, die vóór alles mooie tentoonstellingen wil opzetten en die de rest bijzaak vindt?

Thomas Spijkerboer, hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit, schrijft dit als kunstliefhebber.

    • Thomas Spijkerboer