Geknakt door leugens

Grote acteurs zoals Alec Guinness gingen Gary Oldman voor als George Smiley, de weemoedige spionageheld in Tinker Tailor Soldier Spy. Hij staat symbool voor Britse neergang en isolement.

TINKER, TAILOR, SOLDIER, SPY, Alec Guinness (Great Performances), 1979  /Hollandse Hoogte

Hoeveel stroopwafels en custardvla acteur Gary Oldman ook naar binnen werkte, hij blijft iets te lang en pezig om echt te lijken op de gepensioneerde spionnenmeester George Smiley zoals schrijver John le Carré hem introduceert in de roman Tinker, Tailor, Soldier, Spy (1974). „Klein, gezet en op zijn best van middelbare leeftijd, leek hij een van Londens ootmoedigen die het land niet zullen beërven. Zijn benen waren kort, zijn bewegingen weinig soepel, zijn pak paste slecht op een dure manier.”

Tinker Tailor Soldier Spy, verfilmd door de Zweedse cineast Tomas Alfredson, gaat deze week in Nederland in roulatie. In het Verenigd Koninkrijk was de film een verrassend groot succes. Voor de Britten was het vooraf de vraag of Gary Oldman aan de schaduw van sir Alec Guinness kon ontsnappen, die in 1979 en 1981 in twee legendarische BBC-series George Smiley vertolkte. Oldman behield wijselijk diens zware hoornen bril: een goede ‘make-over’ heeft een herkenbaar beginpunt. Zijn nieuwe Smiley is meesterlijk: passief agressief, met een glimp van onderdrukte woede en sadisme. Dat tot volle tevredenheid van John le Carré. „Oldman roept dezelfde eenzaamheid, introspectie, pijn en intelligentie op die zijn voorganger in de rol stak, zelfs dezelfde elegantie”, schrijft hij. „Bij Alec Guinness zoek je instinctief bescherming op een donkere nacht, voor Gary Oldman sla je op de vlucht.”

En toch is dat dezelfde George Smiley, hoofdrolspeler van vier romans van Le Carré, in andere boeken poppenspeler achter de coulissen. Smiley een anti-James Bond noemen is een cliché. Toen de dertigjarige David John Cornwell, werkzaam als Brits geheim agent in West-Duitsland, in 1961 onder het pseudoniem John le Carré Call for the Dead publiceerde, was dat het idee. Niks dure auto's en dubieuze vrouwen, maar de bureaucratische, smoezelige realiteit van de spionage.

George Smiley was in dat eerste boek al een vijftiger. In 1906 geboren – later veranderde Le Carré dat in 1915 zodat Smiley nog wat langer mee kon als romanheld – wordt hij door de Secret Intelligence Service, of MI6, gerekruteerd op de universiteit (specialisme: Duitse literatuur van de barok). Tijdens de Tweede Wereldoorlog runt Smiley agenten in Zweden, Zwitserland en Duitsland, na 1945 klimt hij op in ‘het Circus’, het hoofdkwartier van MI6. Misschien kan je beter zeggen dat Le Carré spionage toont door de vermoeide ogen van Q, de baas van James Bond. In zijn romans zijn er ook veldagenten die met dekmantels over de wereld reizen, martini’s drinken, vechten of verliefd worden – Ricki Tarr in Tinker, Tailor, Soldier, Spy bijvoorbeeld. Maar zij zijn treurige pionnen die Smiley gebruikt en soms misleidt. Niet omdat hij dat leuk vindt – in zijn eentje snikt hij soms droog over verliezen – maar omdat het spel nu eenmaal zo wordt gespeeld.

Chirurg die geen bloed kan zien

Smiley is een patriot: hij vindt dat het draait om de wil om, nu twijfel de enige legitieme filosofische positie lijkt, toch door te strijden tegen Moskou. Maar hij is een ‘chirurg die niet langer bloed kan zien’. Hij loopt licht voorover gebogen, wellicht door het gewicht van alle mensen die hij moest opgeven of verraden voor de goede zaak. Of vermoeid door misleiding, want anders dan een acteur of zwendelaar laat een geheim agent zijn pose nooit vallen.

Maar de zwaarste last op zijn schouders is zijn echtgenote, de losbandige aristocrate lady Ann Sercombe die middenklasser Smiley in 1945 betoverde en sindsdien pijnigt met serieel overspel. Daarin verschilt hij nog het meest van James Bond: seksueel schiet Smiley hopeloos tekort. In een wereld waarin alles draait om het vinden van elkaars achilleshiel, is die van Smiley een publiek geheim. Bureaucratische rivalen voeren Ann steeds weer op om Smiley te jennen of uit zijn evenwicht te brengen: „How’s the lovely Ann?” In de BBC-series trekt er dan een schaduw over Smiley’s gelaat, slikt hij en lispelt: „Splendid, couldn’t be better.”

De vijand weet zijn pijnpunt eveneens te vinden. De Amerikaanse regisseur Sidney Lumet maakt Smiley’s tekort in 1966 tot kern van The Deadly Affair, nog veel sterker dan in Le Carrés Call for the Dead, waarop de film is gebaseerd. Smiley is hier een emotioneel type met vochtige ogen die zweet en schreeuwt – hij wordt vertolkt door de gejaagde acteur James Mason. In het begin treft de weer eens op non-actief gestelde Smiley lady Ann terwijl ze ’s ochtends uit een taxi stapt. „Ga terug naar bed”, sneert hij.

Regisseur Sidney Lumet laat Dieter Frey, de Duitse vriend die in de nazitijd voor Smiley spioneerde en nu voor de DDR, lady Ann versieren zodat Smiley twijfelt of zijn verdenkingen niet wordt ingegeven door jaloezie. En als hij Dieter ten slotte doodt, beseft hij dat hij nooit zal weten of dat een ongeluk was of moord. „Noem me gewoon een nymfomane hoer”, smeekt Ann hem. „Waarom ben je tegen mij zo zacht en in je werk zo agressief?” „Omdat ik dacht jullie beide zo te behouden”, fluistert Smiley.

Deerniswekkende romanticus

Deze deerniswekkende romanticus is een heel andere Smiley dan de denkmachine in de BBC-serie, de milde professor die zijn brilleglazen afwezig poetst met zijn stropdas. Maar er is nog een Smiley. Het gesloten, kille reptiel dat volgens Ann zelf zijn lichaamtemperatuur reguleert, de intrigant die niets gratis weggeeft en vragen beantwoordt met wedervragen. Die George Smiley treffen we in een bijrol in The Spy Who Came In From The Cold (1966), naar de bestseller waarmee Le Carré zijn naam vestigde. Daar is Smiley architect van een vilein plan om een Britse mol binnen de Oost-Duitse geheime dienst Stasi te beschermen. „Soms moeten wij nare dingen doen, heel nare dingen”, zucht hij.

Dat is nog voor Smiley’s echte glorietijd in de ‘Karla-trilogie’ van de jaren zeventig: Tinker, Tailor, Soldier, Spy, The Honourable Schoolboy en Smiley’s People. Die draaien om het het schaduwgevecht tussen Smiley en zijn Moskouse tegenvoeter Karla: twee genieën die aan het minste snippertje informatie genoeg hebben om complexe plannen vol dubbele bodems en dwaalsporen uit te stippelen. In 1955 hebben Smiley en Karla elkaar in het echt ontmoet, leren we in Tinker, Tailor, Soldier, Spy. Als na de dood van Stalin de KGB in scherven ligt, probeert Smiley zijn Russische tegenvoeter in New Delhi tot overlopen te bewegen. Maar hij geeft daar ongemerkt zijn zwakte prijs: Ann. De Rus steelt een aansteker met haar inscriptie en geeft twintig jaar later zijn mol in MI6 opdracht haar te verleiden zodat Smiley niet helder denkt. Zoals Dieter Frey dat eerder deed.

Het maakt Smiley tot een ambivalent personage. Is zijn obsessie met nemesis Karla ideologisch of persoonlijk van aard? Smiley hoef je zoiets niet te vragen: hij zou een wenkbrauw optrekken en een tegenvraag stellen. Le Carré evenmin: die zwelgt in ambivalentie. Maar als Smiley in Smiley’s People Karla verslaat op diens menselijk zwakte, liefde voor een schizofrene dochter, is dat een droevige zege. Moreel is hij niet beter dan de vijand: altijd de teneur van Le Carré.

Seksueel falen verbindt de geremde Smiley van Gary Oldman met de onhandige professor van Alec Guinness: die verbergt zijn frustratie hooguit bekwamer. De BBC-serie Smiley’s People (1981) bevat een curieus lange scène waarin Smiley in een stripclub op een contact wacht. Minuten lang deinen rood verlichte billen en borsten in beeld, doorsneden met Smiley en zijn drankje. Bewegingloos en uitdrukkingloos in de verte starend.

George Smiley, de impotente spion. Ooit schreef John le Carré dat de geheime dienst het onderbewustzijn van een land is. James Bond én George Smiley dienen in de jaren zestig en zeventig beide een Brits imperium dat niet eens meer in verval is, maar al uiteen is gevallen. Maar dat nog niet helemaal accepteert: in het hoofdkwartier van MI6 bij Cambridge Circus met zijn piepende liften, smalle gangen, lage plafonds en stoffige dossiers maakt men zichzelf nog wijs dat niet de vulgaire, naïeve Amerikanen, ‘De Neven’, de ware strijd met de Sovjets voeren. Ze worden keer op keer met de neus op de feiten gedrukt: Londen is nog hooguit een zijtoneel.

James Bond is de geforceerde ontkenning van die Britse onmacht, Smiley de bevestiging.

    • Coen van Zwol