Fles chloor bij elke dorpspomp

Hoe valt armoede het beste te bestrijden: met grootschalige hulp of via de vrije markt? Die ideologische twist verlamt al jaren het beleid. Een nieuwe school ontwikkelingseconomen maakt opgang met een pleidooi voor een pragmatische benadering.

Africa, Afrika, Zimbabwe,Shurugwi, Manungo village 20-09-2008 Rural area, village life. Dombwe primary school. Most children must wear a uniform but don't have shoes of their size or walk bare feet. Foto: Evelyne Jacq PUBLICATIE IN ZIMBABWE NIET TOEGESTAAN. PUBLICATION IS NOT ALLOWED IN ZIMBABWE PUBLICATIE IN AFRIKA NIET TOEGESTAAN PUBLICATION IN AFRICA NOT ALLOWED onderwijs basisonderwijs schooluniformen kinderen leerlingen scholieren schoenen Evelyne Jacq

Er is nieuwe hoop voor de strijd tegen armoede. Althans, er is hoop dat het debat erover kan worden vlotgetrokken. Al jaren wordt dat gedomineerd door economen die ervan overtuigd zijn dat hulp meer kwaad dan goed doet, en hun tegenpolen die vinden dat arme landen grootschalige hulp nodig hebben om de weg omhoog te vinden. Een tegenstelling die weinig ruimte laat voor nuance, maar een nieuwe school ontwikkelingseconomen heeft die ruimte toch gevonden. Deze randomista’s laten de grote ideeën voor wat ze zijn en testen wat werkelijk werkt.

Een voorbeeld van het probleem dat zij signaleren: Rwanda kreeg in de jaren na de genocide in 1994 vele miljarden aan buitenlandse hulp voor de wederopbouw. Nu het economisch goed gaat (6,5 procent groei vorig jaar), wil president Kagame de hulp gaan afbouwen. Is Rwanda nu een voorbeeld van hoe goed hulp werkt? Of van zelfredzaamheid?

Beide denkrichtingen kunnen genoeg argumenten verzamelen om hun opvatting in dergelijke discussies te onderbouwen. Aan de ene kant staat de bekende Amerikaanse ontwikkelingseconoom Jeffrey Sachs (bekendste werk: The end of poverty). Volgens hem zijn arme landen arm door omstandigheden: het is er heet, er zijn ziektes, de geografische ligging is slecht. Er zijn investeringen nodig om die factoren te overwinnen, maar daar is geen geld voor. Alleen buitenlandse hulp kan het land uit deze armoedefuik halen.

Daar tegenover staan ontwikkelingseconomen als William Easterly (The white man’s burden) en Dambisa Moyo (Dead aid). Zij stellen dat ook in arme landen de vrije markt het beste instrument is. Als buitenlandse regeringen en organisaties geld komen brengen en vertellen hoe het moet, zal er nooit eigen initiatief ontstaan en dient de hulp alleen om de hulpindustrie overeind te houden [zie: Wel of geen fuik in de strijd tegen armoede].

Wie heeft het meest gelijk? Uit onderzoek blijkt dat landen die meer hulp ontvingen niet harder groeiden dan de rest. Dit kan betekenen dat hulp niet werkt. Maar het kan net zo goed het tegenovergestelde aantonen, zeggen de randomista’s: misschien waren de betreffende landen er nog slechter aan toe geweest als ze geen hulp hadden gekregen. Er is pas iets over de effectiviteit van hulp te zeggen als interventies worden onderzocht met zogeheten gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek: een gekwantificeerd experiment tussen twee groepen willekeurig gekozen individuen waarvan er één een ‘behandeling’ krijgt en de ander fungeert als controlegroep.

Hoewel een academische basismethode, werd deze vorm van onderzoek in de ontwikkelingswereld tot voor kort weinig toegepast. Een reden is dat het onethisch wordt gevonden om het ene dorp muskietennetten te geven en het andere niet, als voorafgaand aan het onderzoek het vermoeden al bestaat dat muskietennetten helpen malaria te bestrijden. Dat is helaas niet anders, zeggen de randomista’s: het is een veel groter probleem om nooit vast te stellen dat muskietennetten werken.

Een tweede reden is dat veel ontwikkelingsprojecten te gecompliceerd zijn voor dergelijk onderzoek. Het meest sprekende voorbeeld vormen de Millenniumdorpen van Jeffrey Sachs. Dat zijn veertien dorpen in tien Afrikaanse landen waar hij met investeringen in gezondheidszorg, landbouw, onderwijs etcetera wil aantonen dat de Millenniumdoelen van de Verenigde Naties echt te verwezenlijken zijn. Maar als de boeren in deze dorpen meer oogsten, komt dat dan doordat ze meer kunstmest zijn gaan gebruiken, of doordat ze gezonder zijn, of door iets anders?

De belangrijkste randomista’s, de Indiër Abhijit Banerjee en de Française Esther Duflo, zijn beiden hoogleraar aan het MIT. Zij pleiten er voor om stap voor stap te onderzoeken welke keuzes arme mensen maken en wat de logica daarachter is. „Armoede wordt vaak veroorzaakt door een samenstel van concrete problemen”, schrijven zij in hun dit jaar verschenen boek Poor economics (in het Nederlands verschenen als Arm & Kansrijk), dat vorige maand door The Financial Times werd uitgeroepen tot Business Book of the Year. „Als die problemen duidelijk onderkend worden, kunnen ze vaak een voor een worden opgelost.”

In 2003 richtten Banerjee en Duflo met anderen het Poverty Action Lab op, dat inmiddels meer dan 300 onderzoeken verricht heeft. De resultaten zijn vaak zeer verrassend en verhelderend. Maar het tweetal gaat verder dan de gerandomiseerde onderzoeken: aan de hand van grondig veldwerk laten ze zien dat de keuzes van arme mensen net als die van rijke vaak niet worden gemaakt op basis van rationele economische principes, maar aan de hand van psychologische factoren die ontwikkelingswerkers niet kennen.

In een afgelegen Marokkaans dorp vroegen Banerjee en Duflo aan een boer wat hij zou doen als hij meer geld had. Meer eten kopen, zei hij. En als hij nog meer geld had? Lekkerder eten kopen. Er was geen water of toilet in zijn huis, wel stonden er een televisie, een schotelantenvne en een dvd-speler. Net als bij zijn buren. „Televisie is belangrijker dan eten”, zei de boer. Uit de rest van het vraaggesprek bleek wel waarom: de man had dat jaar zeventig dagen op het land en dertig dagen in de bouw gewerkt. Hij zorgde voor zijn vee, maar meer werk was er niet te krijgen. Er was niets te beleven in het dorp. Het leven minder saai maken kreeg prioriteit boven het wegwerken van het ongemak van een huis zonder wc.

We kunnen ons verbazen over de kansen die armen niet grijpen om hun leven beter te maken”, schrijven Banerjee en Duflo. „Maar vaak staan ze sceptischer ten aanzien van vermeende kansen.” Ze moeten vaak niets hebben van de mooie plannen die ontwikkelingswerkers voor ze bedenken, hoe logisch en profijtelijk die ook klinken.

Waarom besteden armen bijvoorbeeld vaak geen geld aan goedkope preventieve gezondheidszorg, maar laten ze het aankomen op ziekte, waarvan de behandeling vele malen duurder is? Een Zambiaans gezin kan voor omgerekend 18 dollarcent per maand het drinkwater zuiveren met chloor, waardoor de kans dat de kinderen diarree krijgen met bijna de helft wordt verminderd. Ook in Zambia is 18 dollarcent per maand betaalbaar, maar slechts 10 procent van de gezinnen koopt het chloor. Als de prijs met subsidie wordt verlaagd tot 7 dollarcent maakt nog altijd een kwart er geen gebruik van. Hoewel vrijwel alle Zambianen geloven in het gebruik van chloor, doet het profijt ervan zich waarschijnlijk pas ergens in de toekomst voor, terwijl er nu allerlei urgentere bestemmingen zijn voor het geld.

Als mensen zelf geen preventieve maatregelen nemen, kan het verstandig zijn als de overheid dit voor ze doet, vinden Banerjee en Duflo. Het heeft immers gevolgen voor de hele samenleving als besmettelijke diarree wordt teruggedrongen: kinderen die geen diarree hebben gaan vaker naar school en al het onderwijs dat kinderen extra krijgen leidt weer tot een hoger salaris in hun volwassen leven. Zambianen voegen wel chloor aan hun drinkwater toe als dit gratis bij de dorpspomp beschikbaar wordt gesteld, in een dispenser waardoor er met één druk op de knop precies genoeg uitkomt.

Is dat niet paternalistisch? Moeten mensen niet gewoon verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven? Kan zijn, menen de auteurs, maar we vergeten dat wij in de westerse wereld volop profiteren van dit paternalisme. Hier is het chloor al aan het drinkwater toegevoegd, en is er een drinkwateraansluiting in elk huis. Daar spoelen we zelfs de wc mee door. Zo zorgen we beter voor onszelf dan we zouden doen als we al die beslissingen ook hier zelf zouden moeten maken, en houden we tijd over voor andere zaken.

Arme mensen moeten over veel meer zaken in het leven zelf beslissingen nemen dan rijke mensen, terwijl ze meestal over minder informatie beschikken en een kleine fout veel grotere gevolgen kan hebben. Het is moeilijk voor armen gemotiveerd te blijven als alle doelen om in te investeren onmogelijk ver weg liggen. Daarom sparen ze vaak niet voor een extra koe, of sturen ze hun kind niet naar school.

Dat het ook voor rijken moeilijk is om gemotiveerd te blijven, is eveneens aangetoond met gerandomiseerd onderzoek. Studenten van de universiteit van Pennsylvania kregen vijf dollar. Vervolgens werd hen om een donatie voor Save the Children gevraagd. Studenten die net een folder hadden gelezen over miljoenen hongerende Afrikanen gaven gemiddeld 1,16 dollar. Studenten die een folder kregen te lezen waarin het lot van die miljoenen werd teruggebracht tot een jong meisje (met foto), gaven gemiddeld 2,83 dollar. Identificatie werkte.

Twee andere groepen studenten kregen ook de twee folders te zien, maar nadat hen uitgelegd was dat mensen meer geven als ze zich met één slachtoffer kunnen identificeren. De groep die de algemene hongerfolder had gelezen, gaf ongeveer hetzelfde als die in het eerste onderzoek. Maar de studenten die het meisje hadden gezien, gaven nu gemiddeld slechts 1,36 dollar. Het besef dat het probleem groter was dan dat ene meisje, en een donatie dus niet meer kon zijn dan een druppel op een gloeiende plaat, werkte behoorlijk ontmoedigend.

Banerjee en Duflo denken dat zowel het doemdenken over hulp als het romantiseren ervan weinig zinvol is. Zij zien vooral ruimte „in de marge”, zoals een fles chloor bij de dorpspomp. Niet dat dit kleinschalig hoeft te zijn: er zijn miljoenen dorpspompen in de wereld en elk jaar sterven er nog 1,5 miljoen kinderen aan diarree.

Hanneke Chin-A-Fo

Abhijit Vinayak Banerjee en Esther Duflo: Arm & Kansrijk. Een nieuwe visie op het bestrijden van armoede. Uitgeverij Nieuw Amsterdam. ISBN: 9789046811702. 320 pagina’s.

    • Hanneke Chin-A-Fo